Celeste Lupus

Celeste Lupus

Over dit weblog

Celeste Lupus schrijft over: literatuur, politiek, filosofie, recht, economie en wetenschap.

De Matthäus

LiteratuurPosted by Roelof Bos Mon, April 22, 2019 12:47:37

Dit paasweekeinde beluisterden wij de Matthäus-Passion van Johann Sebastian Bach en wel een recentelijke versie van Reinbert de Leeuw, ontvangen van een goede vriend, en een veel oudere versie van Nicolas Harnoncourt uit mijn eigen bezit. Is er een verschil in beleving? Het is in beide gevallen hetzelfde verhaal. In dramatiek doet het ene niet onder voor het andere. Harnoncourt is wat gepolijster, ook authentieker met echte jongenssopranen. Het belangrijkste verschil vond ik de Jezus vertolking. Bij Harnoncourt was dat Karl Riddderbusch en bij Reinbert de Leeuw Andreas Wolf. Het is mij altijd een raadsel geweest waarom Bach voor de stem van Jezus een bas liet klinken. Jezus stierf toen hij ongeveer vijfendertig jaar oud was, een jonge man in de kracht van zijn leven. Daar had een tenor bij gepast, voor zijn vurige momenten een heldentenor en voor het overige een lyrische tenor.

Hoe dat ook zij, Karl Ridderbusch is onvergetelijk, zonder afbreuk te doen aan de Jezus partij van Andreas Wolf in de versie van Reinbert de Leeuw. Die laatste versie was ook kleinschaliger, intiemer, iets mathematischer. Ooit hoorde ik een versie van een Japanner die zijn gehele leven aan het project heeft gewijd. De kracht van Aziaten schijnt in de perfectie te liggen, het oorspronkelijke vinden zij in het westen.

Na opnieuw het verklankte lijdensverhaal beluisterd te hebben voelde ik mij weer gesterkt in de strijd tegen het geestelijk verval dat ik door het nieuws dagelijks tot mij moet nemen.



DE KOPEREN TUIN van Simon Vestdijk

LiteratuurPosted by Roelof Bos Sat, March 02, 2019 17:56:04

In mijn jeugd heb ik verschillende boeken van Simon Vestdijk gelezen, waarvan ik mij herinner: ‘De kelner en de levenden’, Ivoren wachters’ en ‘De koperen tuin’. Zijn oeuvre is ontzagwekkend, ongeveer 200 boeken, de waardering voor zijn werk wisselend. Over zijn boek ‘De schandalen’ schreef Jan Spierdijk in De Telegraaf: ‘Het witte papier is de heer Vestdijk tot schutting geworden’. De dichter Adriaan Roland Holst beschreef hem als ‘de man die sneller schrijft dan God kan lezen’. Bij mij was er het beeld van iemand die veel woorden nodig heeft om iets te zeggen. Hier wil ik stilstaan bij zijn boek ‘De koperen tuin’, door Simon Vestdijk zelf gekenmerkt als zijn beste werk.

Het boek begint met de ik figuur, een eigenwijs jongetje dat zijn drie jaar oudere broer nogal belachelijk vindt. Alles speelt zich af begin twintigste eeuw in W, waarmee Leeuwarden bedoeld zal zijn, waar zijn vader tot rechter is benoemd, waar de ik figuur prat op gaat. Vrijgezelle notabelen van de stad zijn min of meer heimelijk verliefd op zijn moeder. Hijzelf lijkt op haar, zijn broer op zijn vader dertien jaar ouder dan zijn moeder, van wie hij zich geen verliefdheid kan voorstellen. Op een mooie zomerse dag, zijn vader stuurt ansichtkaarten uit Luxemburg, wat die daar doet blijft duister, wordt hij door zijn moeder met haar vriendinnen in een landauer meegenomen naar de Tuin, een park met kunstmatige heuvels, water- en rotspartijen. In de Tuin waarin vogelkooien wordt hij door zijn moeder alleen gelaten om te spelen. Zijn zoektocht leidt naar een heuvel. In de diepte ontwaart hij een houten muziekkapel waar een koperorkest gereed zit om te spelen voor het publiek aan de andere kant van de vijver waaronder zijn moeder met haar vriendinnen. Voor het houten hoofdgebouw dat via een rustieke brug over waterpartijen naar de muziektent leidt ziet hij een stoergebouwde zelfverzekerde man met een zwarte snor in een geklede jas, zich vermakend met door volle dienstbladen weerloze dienstertjes, die hij kneepjes in de arm geeft, wat op het jongetje indruk maakt. Hij wil naar hem toe. Hij laat zich van de heuvel zakken, sluipt naar het hoofdgebouw. Met de Stars and Stripes van Sousa barst de muziek los onder leiding van de stoere man, de dirigent. Het geschetter van trompetten, trombones, fluiten, piccolo’s, klarinetten, saxofoons, begeleid door xylofoon en Turkse trom, overweldigt het jongetje. Voor het hoofdgebouw ziet hij een lang bleek meisje, gespannen starende naar de muziektent. Er volgen meerdere stukken, als laatste stuk voor de pauze wordt op verzoek de Stars and Stripes van Sousa herhaald. De herkenning van de muziek brengt het jochie in vervoering, hij stampt en danst op de maat wat hilariteit wekt, wat hem nog meer aanzet. Dan wordt hij gegrepen door het lange bleke meisje, een hoofd groter dan hij en ze beginnen te dansen. Plots laat zij hem los, hem aan zijn lot overlatend. Zij ijlt naar de muziektent, valt de dirigent om de hals, zij is zijn dochter.
Voor de ik figuur, Nol Rieske, het zoontje van de rechter die later medicijnen gaat studeren, wordt of blijft het vier jaar oudere bleke meisje, Trix Cuperus, zijn grote liefde, ook al wil zij niets van hem weten en geeft zij zich af met vrijgezelle en getrouwde notabelen in het stadje. Als op het einde van het boek zijn moeder, nog jong, op sterven ligt wil hij weg van haar sterfbed, naar Trix, die dienster is geworden in de sociëteit in de Tuin. Opeens haat hij zijn moeder die in de Tuin gekscheerde over die kleine jongen van acht jaar, dansend met een meisje van twaalf jaar bijna volwassen, het dan later had over ‘dat aardige Trixje van je’.
Met knikkende knieën begeeft hij zich naar de sociëteit, waar hij bediend door Trix zich wil bedrinken. Zij schenkt hem wat in, maar verdwijnt. Buiten in de tuin vindt hij haar terug. Wat volgt is een ontroerend samenzijn, waarin hij haar herinnert aan hun dans vroeger in de Tuin waarover zijn moeder zo had moeten lachen en Trix hem om vergeving vraagt voor haar harteloosheid, maar zonder reden weer verdwijnt. Hij bedrinkt zich verder en de volgende dag nog in een roes verneemt hij in het ziekenhuis het overlijden van zijn moeder. De volgende dagen blijft hij zich bedrinken, bezoekt de minnaar van Trix, Vellinga, om diens verhaal te horen, ook om verhaal te halen voor diens aandeel in de zondeval van Trix. Hij onttrekt zich aan het rouwbeklag met de familie, gaat naar Trix en vraagt haar ten huwelijk. Zij vertelt hem over haar drankzuchtige vader, Henri Cuperus, de dirigent en pianoleraar van Nol Rieske, door deze mateloos bewonderd, die schuldig zou zijn aan het verliezen van haar onschuld, over Vellinga die zich aan haar had vergrepen, ook over andere minnaars, Caspers, Dijkhuizen en Stienstra. Ze vraagt hem die nacht bij haar te blijven wat hij fatsoenshalve weigert, vertrekt om de volgende ochtend haar antwoord op zijn aanzoek te horen. Thuis vertelt hij zijn vader over zijn huwelijksvoornemens, zich verontschuldigend voor zijn afwezigheid en om hem voor te bereiden op het standsverschil met zijn verloofde. Hij fantaseert over controverses welke zijn huwelijk kan oproepen en overweegt even het huwelijk uit te stellen, wat hij overwint. Als hij de volgende ochtend bij Trix aanbelt vertelt haar tante dat Trix zich die nacht met arsenicum het leven heeft benomen. Met de beide komende begrafenissen van zijn moeder en Trix in zicht klampt hij zich vast aan de tante, bezoekt Caspers, die hem meer bijzonderheden vertelt over Trix, over diens vermoeden van haar liefde voor een onbekende waarvan hij nu begrijpt dat die hem bezoekt. Nol Rieske fantaseert over de rekening en verantwoording af te leggen door Stienstra en Dijkhuizen, wat hij laat voor wat het is. Lopende naar de Tuin vormen zich gedachten over het hoe en waarom, waar het allemaal begon.

In het boek zitten meerdere tegenstrijdigheden, waarvan ik er twee wil noemen. Hierboven is vermeld, zoals ik dat uit het boek opmaak: ‘Opeens haat hij zijn moeder die in de Tuin gekscheerde over die kleine jongen van acht jaar, dansend met een meisje van twaalf jaar bijna volwassen, het dan later had over ‘dat aardige Trixje van je’.’ Dit moet wel haast het thema zijn van het boek, een moeder die haar zoon niet wil of kan begrijpen. Echter op blz. 227 van de mij ter beschikking staande uitgave, 21e druk Salamander Klassiek, 2001, zegt de hoofdpersoon Nol Rieske tegen zijn geliefde Trix Cuperus: ‘Mijn moeder heeft eens gezegd, dat liefde, die in de kindertijd begint, en dan later tijdelijk vergeten wordt, de machtigste is van alle liefdes.’’ Deze wijsheid verdraagt zich moeilijk met de kortzichtigheid die hij zijn moeder later verwijt.
Ook de latere haat van Trix Cuperus tegen haar vader komt min of meer uit de lucht vallen gelet op het begin van het boek, waarin zij na haar dans met het jongetje Nol Rieske haar vader in de Tuin, na diens optreden als dirigent, om de hals valt wat toch uit bewondering, verering moet zijn. Later in het boek blijkt zij zich steeds tegen haar vader te keren, misschien om zijn drankzucht, maar die bestond al toen zij hem in de Tuin om de hals viel. Ook overtuigt de houding van Henri Cuperus tegenover Trix niet. Die zou zijn dochter verboden hebben met Nol Rieske in zee te gaan omdat hij te jong was en zijn familie daarvoor te trots zou zijn. Hier laat Henri Cuperus zich kennen als een benepen man, wat strijdt met de wijze waarop Vestdijk hem neerzet, een hoogdravend iemand die op de jonge Nol Rieske overkomt als de kunstenaar die conventies aan zijn laars lapt. Als zich in de geest van de grote man, die Henri Cuperus voor Nol Rieske was, een dergelijke ommekeer zou hebben voltrokken biedt het boek, behalve het latere misprijzen van Trix, daarvoor niet echt een aanwijzing, ook niet de door Nol Rieske’s moeder versmade bloemen, haar aangeboden door Trix’ vader.
Zo doet de intrige rond de zondeval van Trix Cuperus hier en daar gekunsteld aan, wat goedgemaakt moet worden met ingewikkelde zinnen, waarover nagedacht moet worden om te begrijpen wat er staat, wat dan toch niet echt tot diepere inzichten leidt. Hier en daar krijgt het boek, vooral in het middengedeelte waar de voorbereiding en opvoering van de opera Carmen hilarisch, rocambolesk wordt besproken, met de overjarige Belgische zangeres Alice de Rato die de rol van Carmen voor haar rekening neemt, als zinnebeeld van lichtzinnigheid en verderf, het karakter van een ironische vertelling à la Godfried Bomans, wat niet strookt met de pretentie van het werk, te weten de worsteling met conventies die begin twintigste eeuw bestonden, zoals dat bijvoorbeeld het thema vormde van het boek Klaaglied om Agnes van Marnix Gijssen.

Blijkens het naschrift van Maarten ’t Hart in de mij ter beschikking staande editie wil deze in het boek meer zien dan Simon Vestdijk er zelf in heeft willen leggen. De onbegrijpelijke zelfmoord van Trix zou verklaard kunnen worden door de veronderstelling dat haar vader zich aan haar heeft vergrepen. Ondanks de schroom voor een dergelijke veronderstelling wordt daarom voor ’t Hart het boek nog indrukwekkender. Ik begrijp de gedachtegang aldus dat de grootheid van het werk niet zozeer bepaald wordt door wat er staat, maar wat men zich erbij kan fantaseren. Daar zit wat in. Een boek moet inwerken op de verbeeldingskracht van de lezer. Echter na het lezen van het boek kan ik mij de door ’t Hart geopperde veronderstelling niet voorstellen. In het boek laat Trix Cuperus zich zien als een meisje dat van wanten weet. Ook uit de biecht van Trix aan Nol Rieske blijkt iets dergelijks niet, wat toch wel voor de hand zou hebben gelegen.
Anders dan de door 't Hart genoemde Johan van der Woude kan ik mij de zelfmoord van Trix Cuperus wel voorstellen.Zij was vier jaar ouder dan Nol Rieske. Zij begreep zijn liefde voor haar, maar ook dat hun huwelijk onmogelijk was, dat het hem met haar achtergrond te gronde zou richten. Zij was realistischer dan hij, wilde geen gebruik maken van de situatie, uit liefde voor hem.

Al mis ik het evenwicht zoals in boeken van door mij bewonderde schrijvers als Tolstoj, Schnitzler en Walschap, de koperen tuin van Simon Vestdijk blijft een zeer lezenswaardig boek, vooral door de gedetailleerde beschrijvingen van situaties en personen, ook al doen deze wel erg barok aan.

















Reisverhaal

LiteratuurPosted by Roelof Bos Mon, October 29, 2018 16:48:15

ADIOS SEVILLA

Na een ommekomst van vierenvijftig jaar was het weerzien met Sevilla zoiets als met een schilderij. Als je de werkelijkheid ziet wat de schilder heeft bezield valt het tegen. Voor mij was Sevilla de stad van de flamenco. Die wordt daar nog steeds opgevoerd, gespeeld, gezongen en gedanst. In kleine theatertjes door zangers, danseressen onder begeleiding van een gitarist, om hartstochtelijk de folklore levend te houden. De flamenco stamt uit de tijd van de armoede zonder uitzicht op een loket. Die armoede las je af aan het broodmagere lijf. De flamenco was een uitvlucht uit het troosteloze bestaan. Meer dan een uitvlucht, de geest verhief zich. Het was ook de strijd van de vrouw, haar trots ondanks het bedrog, de ontrouw en het verval als het haar ten deel viel. Met haar dans, haar blik, haar houding, het ritmisch klappen (palmotear), het geroffel van de castagnetten, het voetenwerk (tacaneo) deed zij aanbidders doen knielen. In de jaren vijftig zestig werd de flamencozang gehoord op iedere hoek van de straat, met die arabische keelklank gezongen door schoenpoetsertjes.

Dat zijn mijn herinneringen. Wij lieten ons brengen naar dat prachtige hotel Madrid om in een steegje er vlak achter ons verblijf te zoeken bij een herbergier die in zijn eentje herberg, restaurant en café dreef. Zijn kookgerij stond in de gelagkamer achter het buffet waar hij borrelhapjes tapas bereidde tot twaalf uur ’s nachts of later, als het niet de gerechten voor ontbijt, middagmaal en avondeten waren. Slechts voor middagmaalmaal en avondeten was een kelner ingehuurd om op te dienen. De laatste avond, de trein naar Granada vertrok de volgende ochtend om zes uur, wilden wij om vijf uur gewekt worden. Geen probleem, ook schoenen konden gepoetst worden als we die op de gang wilden zetten. Wie wekte ons, wie had de schoenen gepoetst? Jawel, de rondborstige zwaar besnorde eigenaar met slaap in zijn ogen, die zijn herberg dreef als zijn kostbaarste bezit.

Dat wilde ik terug zien. Mijn zoektocht begon bij hotel Madrid dat mij vandaar verder zou helpen à la recherche du temps perdu. Er was inderdaad een hotel Madrid, in een onooglijk steegje dat alle verwachting deed verdampen. Het echte Hotel Madrid, dat legendarische hotel van vroeger waarover zoals later bleek in de annalen met weemoed werd geschreven, was met de grond gelijk gemaakt om plaats gemaakt te hebben voor een winkelcentrum als op de Lijnbaan in Rotterdam. Onze herberg was natuurlijk ook onder de sloophamer gekomen.

Toch daar terug in Sevilla had ik nog een broodmagere zigeunervrouw gezien, in een veelkleurige jurk tot op de voeten met een kind onder de arm, in het voorbijgaan deksels van vuilnisemmers oplichtend. Ze zijn er nog steeds. Er blijven daklozen die niet in het gareel willen lopen. Ze kiezen voor hun vrijheid, al is dat voor de burgerman zo onbegrijpelijk.

Ik denk dan ook aan dat legendarische hotel Amicitia in Leeuwarden, waar de schrijver Havank zo graag verbleef, onder de sloophamer gekomen om te verrijzen als een betonnen puist om daarin geldzaken welig te laten tieren. Men schijnt spijt gekregen te hebben, daar in Leeuwarden, wil het oude hotel Amicitia doen herrijzen, als het misschien al niet gebeurd is.

Terugdenken aan Sevilla, nu een stad van luchtvaart-industrie en toerisme, misschien zal daar ook zoiets gebeuren, zal er iets van de oude glorie herrijzen. Al zal ik dat niet meer meemaken.











Pulp

LiteratuurPosted by Roelof Bos Sat, July 28, 2018 16:15:42

Het einde van de roman

Op internet konden wij vernemen dat de kwaliteitskrant NRC bij monde van haar recensente Elsbeth Etty bericht had over een boek van Hans Dorresteijn dat ging over zijn echtscheiding. Hans Dorresteijn was er kapot van, want ‘die vrouw met het rode haar’ had bericht over ‘het einde van de roman’. Na deze negatieve berichtgeving zou Dorresteijn dagenlang het huis niet meer uit gedurfd hebben.

Het bevestigt de juistheid van mijn beslissing, al weer lang geleden, het abonnement op die krant op te hebben moeten zeggen. Want tot vervelens toe moest ik immer weer stuiten op boekrecensies die verkeerde verwachtingen wekten. De valse en doorzichtige smoesjes waarom mijn eigen boeken niet voor recensie in aanmerking kwamen doorzag ik pas later. Ik kon mij niet voorstellen dat het er niet eerlijk aan toe ging. Eerlijk, dat wil zeggen een boek de aandacht te geven die het verdient. Eerlijk, om niet te verzwijgen dat er andere belangen spelen, die een ieder wel kan raden maar waar de lezer van een kwaliteitskrant niet mee gediend is en de krant in feite een speeltje wordt van handige jongens die weten hoe pulp verkocht wordt. En die arme boekrecensent van de krant heeft zich maar te voegen. Tot mij de schellen van de ogen vielen dus.

Net als andere op het eerste gezicht notabele beroepen die een bedenkelijke kant kunnen laten zien doet de journalistiek hier dus niet voor onder. Onbeduidende zaken worden uitvergroot. Belangwekkende zaken worden verzwegen. De doofpot politiek beperkt zich niet tot de bedrijfstak die het wil bestrijden.

Dit is het einde van de roman. Welk belang is met het uitvergroten van een slecht boek gediend? Komt het maar zelden voor dat er een slecht boek geschreven wordt? Het is als met die plasseks van die gewezen zangeres. Binnenshuis verkneukelt Hans Dorresteijn zich er over niet aan de aandacht van die kwaliteitskrant te zijn ontsnapt.









Boekbespreking

LiteratuurPosted by Roelof Bos Thu, July 05, 2018 12:47:23

IN DE BAN VAN DE TEGENSTANDER

door Hans Keilson

In de ban van de tegenstander door Hans Keilson is een boek dat in Nederland ongeveer tien jaar geleden veel ophef veroorzaakte. Niet zozeer vanwege de inhoud, wel omdat het over het hoofd was gezien. Het mediacircus stortte zich erop met citaten uit The New York Times Book review en Time waarin men Keilson wilde toevoegen aan de lijst van ’s werelds allerbeste schrijvers. Keilson was toen inmiddels al honderd jaar oud.

Het boek begint op een enigszins vergelijkbare manier als de Max Havelaaar van Multatuli. Waar Sjaalmans om nog aan wat centen te komen zijn manuscript aan de makelaar in koffie Batavus Droogstoppel probeert te slijten, die het ziet als louter vodden papier, zo begint het boek van Keilson met een pak papier met aantekeningen in het Duits, vol vlekken, gekreukeld, uitgelopen inkt alsof het onder water heeft gelegen, in het bezit van een Nederlandse advocaat, die het na de oorlog ter hand stelt aan een onbekende ik figuur om het maar eens te lezen. Het moeten aantekeningen zijn van een jonge joodse Duitser die probeert te begrijpen waarom zijn vijand (Hitler dus), die hij B. noemt, het op hem voorzien heeft. Daar moet een reden voor zijn. Hij wil niet aannemen dat zijn vijand iets zomaar doet en van ieder rede verstoken is. Hij komt daarmee in aanvaring met zijn soortgenoten die een gesloten front willen vormen tegen hun vijand.

Men kan het aantekeningen van een naïeveling beschouwen. Mijn indruk is echter anders. De verteller beschrijft zijn vader als een koorddanser met vele ambachten en ongelukken. Eerst werkzaam in een horlogezaak, dan dansleraar, dan weer als chef de réception in een hotel waar hij het slachtoffer van een wisseltruc zou zijn geweest, vervolgens eigenaar van een stoffen- en modezaak. Uiteindelijk toch geslaagd in het leven als fotograaf die met retouches en trucjes zijn clientèle tevreden hield. Diens jongste broer was het verkeerde pad op gegaan. Zelf lichtte de verteller als jongen zijn vriendje op door met een drukletterdoos postzegels te vervalsen. Als het uit komt slaakt de vader de verzuchting ‘als het maar niet in de genen zit’.

Het boek beslaat vooral de herinneringen van de verteller uit zijn vroegste jeugd, hij moet enig kind geweest zijn, waarin hij het bestaan van zijn vijand verneemt uit de gesprekken tussen zijn ouders als hij ongewild teveel hoort. Zijn vader is zwartgallig en krijgt het verwijt van zijn moeder dat hij geen geloof heeft, vermaant hem omdat het kind er bij is. De moeder gelooft dat alles in het reine komt maar de vader wordt boos om haar vrouwengeloof. De mensen moeten er zelf voor zorgen dat ze niet overreden worden. De moeder wordt pas echt bang en boos als ze denkt dat de vader spot met die man daar boven.

Als jodenjongen wordt de verteller gepest en gemeden, meent daardoor juist meer van zijn vijand te weten te komen. Maar zelfs zijn beste vriend blijkt in de ban te zijn geraakt van de vijand. Die vertelt hem het verhaal van de elanden die uitsterven als ze hun vijand, de wolven niet meer hebben. In een kleine provinciestad in een hotel krijgt de verteller de gelegenheid een redevoering van zijn vijand bij te wonen die zal spreken in de hotelzaal. De verteller trekt zich echter terug in de gelagkamer waar hij alsnog via een luidspreker de stem van de vijand hoort. Hij beschrijft dat als volgt:

Hij viel aan, beschuldigde, bespotte, vernederde, sloeg naar links en naar rechts, blindelings, weerlegde beweringen die niemand had geuit en wond zich daarbij vreselijk op. De ander had niemand meer die voor hem sprak. Hij, die niet bestond, werd doodgedrukt door de stem en aangezien hij zweeg, meende iedereen dat hij ook werkelijk dood was.’

De verteller zinkt de moed in de schoenen maar blijft zich verbazen over het spektakel.

‘Iets in deze stem stond los van de man persoonlijk. Achter dit geschreeuw uit koele hartstocht, achter deze grofheden die een geraffineerde, meedogenloze instelling verrieden – daarachter klonk nog iets ander door! Een groot machtig succes of een vervaarlijke ondergang?....Een kleine onaanzienlijke man, gegrepen door iets wat sterker was dan hijzelf, praatte alsof hij bezig was zichzelf te wurgen. Het was alsof hij tegen de verdoemenis stond. Een fakkel flakkerde op een kruispunt. Hij moest kiezen. Het noodlot meldde zich. En wie daarmee in aanraking kwam werd getekend. Maar hijzelf bleef klein, eerzuchtig, een klerk die dolgraag een baas zou zijn geweest. Van tijd tot tijd, als het vreemde, grotere in hem doorbrak en hem geheel in zijn macht kreeg, werd hij radeloos en stond hij voor iets dat hij niet kon vatten. Het omvatte hem, maar hij omvatte het niet. Wie was hij nu eigenlijk? Zonder ophouden stelde hij zich deze vraag. Hij wist het niet. Op deze momenten werd hij voor zichzelf een vreemde. Wat over hem kwam was het vreemde. Vaak dacht hij ook dat hij het zelf was die over zich kwam. Op zulke ogenblikken waande hij zichzelf even groot en machtig als een rivier. Dan begon hij te schreeuwen en te razen. Hij kon zichzelf niet in bedwang houden en trad buiten zijn oevers. Maar hij begreep het niet. Hij schreeuwde als een drenkeling die gered wil worden.

Deze passage vind ik het beste uit het boek. Het beschrijft de onmacht van een waanzinnige. Daarom is een belangrijker vraag dan wie de vijand eigenlijk wel was waarom zoveel verstandige mensen achter hem aan liepen. Daar geeft de verteller geen antwoord op, gebiologeerd door de persoon die hem in zijn greep had. Wie daar wel een antwoord op geeft is Sebastian Haffner in zijn boek Kanttekeningen bij Hitler. Dat deze waanzinnige aan de macht kwam berustte voor een groot deel op toeval, zoals Haffner haarscherp analyseert.

Maar ook na deze ervaring blijft de verteller sceptisch zich aan te sluiten bij zijn lotgenoten die een gesloten front willen vormen tegen de vijand, wordt er van beticht geen verzet te willen plegen. Kortom de verteller wil zich niet losmaken van de Duitse gemeenschap die achter de vijand aanloopt.

Als de verteller in een warenhuis werkt komt hij in aanraking met een jonge verkoopster in wie hij wel iets ziet. Bij haar thuis ontmoet hij haar broer en drie anderen die langzaam maar zeker in geuren en kleuren vertellen hoe ze een joodse begraafplaats hebben vernield. Dan komt de verteller tot inkeer, waarschijnlijk mede door het meisje dat geen teken van afkeuring heeft gegeven. Hij vlucht, laat zijn ouders achter in zijn geboortehuis waaruit ze uiteindelijk worden opgehaald. Voor de verteller heeft de vijand afgedaan. Zijn eerste verzetsdaad is het maken van een getrukeerde foto van in elkaar geslagen mensen, in scène gezet, dat als krantenfoto de mensen aan het denken moet zetten.

Tot dusverre in grote lijnen het boek. Er blijven een aantal vragen. Wilde de schrijver met de aanvang en het einde van het boek, wanneer de onbekende ik figuur na de voddige papieren te hebben gelezen, deze terug geeft aan de advocaat en die hem vertelt dat de eigenaar als verzetsheld is verraden vanwege een liefdesgeschiedenis maar zijn moordenaar heeft kunnen doodschieten, verhullen dat het om de persoonlijke ervaringen van de jonge Keilson zelf gaat?

Uit een authentiek autobiografisch boek van Keilson, onvertaald, weten we dat Keilson in Berlijn de leergang heilgymnastiek- en massage had doorlopen. Op de achterflap van het hierboven besproken boek staat dat Keilson in Berlijn medicijnen had gestudeerd. In het televisie-interview tien jaar geleden schermde Keilson zichtbaar met zijn hoedanigheid als arts. Begin jaren vijftig vestigde Keilson zich als psychiater te Bussum. Ondanks torenhoge rekeningen wierpen zijn behandelingen weinig of geen resultaat af. Kinderen waren als de dood voor hem. De nestor van de psychiatrie Sigmund Freud behandelde in een klassieke casus prinses Marie van Oostenrijk voor vaginisme. Keilson had een patiënt wiens vrouw aan hetzelfde leed. De trauma’s van de man, zijn patiënt, waren voor ingewijden overduidelijk het gevolg van het probleem van de vrouw. Keilson echter hield eindeloze sessies, schreef de ene rekening na de ander waarvoor sommigen een hypotheek zouden hebben moeten afsluiten. Wist Keilson niet beter of was het berekening? We weten het niet, maar nimmer heeft hij de vrouw onderzocht, terwijl de aartsvader van de psychiatrie dat als eerste zou hebben gedaan.

Zo lijkt Keilson als psychiater ondeskundig. Misschien was hij het ook niet, slechts gymnastiekleraar met een opleiding in de heilgymnastiek- en massage, na de oorlog de erkenning als arts gekregen op basis van duistere papieren. We weten het niet. Voor The New York Times Book review en Time was hij geslaagd als schrijver. Dat mag zo zijn, bij mij blijft de indruk van een behendig manipuleerder die Wahrheit und Dichtung niet uit de weg ging.

















JOODSE GRAPPERIJ

LiteratuurPosted by Roelof Bos Wed, May 23, 2018 16:08:50

LIEDJE

Zag zo’n grappig liedje op teevee. Kwam me bekend voor. Gelukkig kon ik nu wat verstaan. Zoiets als ‘Israel wint! Nee geen geintje. Boem boem boem op Palestijntje. Joechei, joechei! Tranen schieten vol. De wereld gunt ons lol!’

Toch leuk liedje. Die Israëlische ambassadeur was not amused, heeft dus geen gevoel voor humor. Begrijp ik niet. Vroeger was het leuker. Met die joodse grapperij is het niet meer wat het geweest is. Max Tailleur zou er wel raad mee geweten hebben. ‘Bij oompje Adolf zaten we er warmpjes bij. Enkele reis was gratis!’ Ik bedenk er ook één. ‘In een joodse winkel hoef je geen geld te geven. Ze trekken het uit je vingers.’
Nee, het is tobben in de wereld. Van alles maken ze een punt. Hamas heeft dat beter begrepen. Vanuit de achterhoede worden ze naar het prikkeldraad gedreven. Geleerd van Frederik de Grote, die zijn soldaten het slagveld in joeg met de leus ‘Hunde wollt ihr ewig leben!!’









Onkwetsbaar

LiteratuurPosted by Roelof Bos Sun, April 15, 2018 17:53:51

François Hollande

Onlangs was er een interview met de gewezen Franse president Hollande op het journaal van de Franse televisiezender France 2 met de nieuwe omroepster Anne Sophie Lapix. De keuze voor haar na de afgedankte maar zeer professionele David Pujadas had verbazing gewekt, tenminste bij ons. David Pujadas had zeker meer dan veertien jaar de boventoon gevoerd in de rij van televisiepersoonlijkheden die ministers en presidenten het vuur aan de schenen kon leggen. Iets dergelijks was eerder op het eerste Franse kanaal TF1 gebeurd toen de zeer ervaren Patrick Poivre d’Arvor werd vervangen door Laurence Ferrari, een modieuze vrouw waar de glossy bladen zich op storten, vooral vanwege haar veel jongere partner, een violist. Laurence Ferrari werd al snel afgedankt, niet in het minst door haar onhandige gevraag aan de president Nicolas Sarkozy over zijn wel en wee met Carla Bruni in plaats van over zijn inspanningen in de wereld een oorlog te voorkomen. Wij wachten af wat Anne Sophie Lapix zal overkomen, maar sluiten niet uit dat het een herhaling van zetten wordt gelet op haar voordracht die aan Laurence Ferrari doet denken. Met de uit het hoofd geleerde lesjes en de vragenplankjes waarvan ze zich bedient bij de ondervraging van gewichtige personen rijst de twijfel of zij dat wel aan kan.

Maar in het interview met François Hollande stonden twee brekebenen tegenover elkaar en dat leverde een vermakelijk schouwspel op. Anne Sophie Lapix vroeg aan François Hollande of hij zijn belofte de werkloosheid op te lossen was nagekomen. Zonder blikken of blozen beaamde hij dat. Het leek intrappen voor open doel. Met een vriendelijk doch ook vilein glimlachje zei ze : “Ik heb andere cijfers. Kijkt u eens naar die grafiek op het scherm.” De grafiek liet een toename zien van 26 % meer werkloosheid gedurende de 5-jarige ambtstermijn van François Hollande. Met de van hem bekende onnozele blik keek die in het rond en zei: “Dat klopt niet want ik heb 700.000 nieuwe banen geschapen.” Anne Sophie Lapix slaagde erin niet te hinniken van de lach. Maar François Hollande gaf haar geen gelegenheid en begon een monoloog over iets wat hij alleen zelf kan navertellen.

François Hollande doet mij denken aan een duikelaartje, zo’n kogelrond mannetje van rubber waar wij als kind vroeger mee speelden. Je gaf het een duw, nog een duw en weer een duw, je zwaaide hem alle kanten op. Steeds kwam het overeind, figuurlijk op zijn pootjes want die had hij niet, dank zij het lage zwaartepunt. Hollande heeft die wel en gebruikt ze ook in een potje voetbal, waar hij een liefhebber van is. Ik heb daar beelden van gezien en zoals hij voetbalt zal hij de ministerraad hebben voorgezeten. Onwelgevalligheden moeten langs hem heen gegaan zijn als de wind die door het net blaast. Aan het einde van zijn ambtsperiode beweerde hij alle doelen gehaald te hebben zonder het de statistieken te laten bevestigen, hield een lang betoog waarin veel aan bod kwam doch niets in het bijzonder en zei tussen neus en lippen dat hij het voor gezien hield. Het was leuk geweest, maar alles had zijn eind.

François Hollande wandelt door het leven als het jongetje in het muziekstuk Peter en de Wolf van Sergei Prokofiev. Hij was zomaar president. Op de tribune in het stadion Saint Denis tijdens de voetbalwedstrijd Frankrijk Engeland, er buiten een aanslag plaats vond en ontploffing te horen was, knipperde de president verbaasd met zijn ogen. Het knapste jongetje van de klas, zijn eigen minister president Laurent Fabius, wist: “François Hollande is de meest onderschatte politicus ooit.”

Charles de Gaulle, die vanachter de schrijftafel de oorlog won, in 1958 door een staatsgreep aan de macht kwam, overleefde een referendum niet en was een jaar later dood. François Hollande doet beter. Bij zijn aantreden als president stond een overjarige courtisane aan zijn zijde. Ze verkeek zich op hem die ze aan de haak geslagen had, kon alleen nog maar de vuile was buiten hangen. Haar kwelgeest is gelukkig met Julie Gayet, een comédienne, die hem zo nu en dan over zijn bolletje aait met de vraag: “Wat heb je nu toch allemaal weer beleefd?”









Circus

LiteratuurPosted by Roelof Bos Sat, April 07, 2018 16:04:21

HET MOOISTE DOELPUNT OOIT

Zinadine Zidane wist het zeker. De omhaal van Ronaldo in de wedstrijd van Real Madrid tegen Juventus afgelopen dinsdag 3 april 2018 was het mooiste doelpunt ooit gemaakt. Juventus was het daar meesmuilend mee eens. Zelf hadden ze twee keer in eigen doel geschoten en de Nederlandse scheidsrechter Makkelie had hen een strafschop onthouden. Ik heb de wedstrijd niet gezien, alleen op internet een stilstaand beeld van de omhaal. Meer was mij niet vergund omdat ik weiger mee te doen met het gesar van adverteerders die mij beelden onthouden als ik niet op hun avances inga. Ik was alleen minder benieuwd naar de kogelbaan van de bal, die toch gelukkigerwijze door een gaaf net werd gestuit. Want als er een gat in had gezeten waren de rapen gaar geweest. Neen, ik probeerde mij voor te stellen hoe Ronaldo zelf was terechtgekomen na zo’n salto mortale. Op zijn rug, op zijn hoofd, had hij zijn nek niet kunnen breken?

Dat komt omdat ik als kleine jongen dacht de wereld te kunnen betoveren met mijn gedribbel. Helaas had ik het euvel mij te moeten bevinden temidden van ploeggenoten die geen lantaarnpaal konden omspelen en vaker in de grond trapten dan tegen de bal. Eigenlijk zelden tegen de bal, als het dan niet was in de grond dan maar tegen het scheenbeen van de tegenstander die niet in de gaten had dat je met motorisch gestoorden moest oppassen. Het gevolg was dus dat mijn prachtige assists als paarlen voor de zwijnen waren. Ik besloot het daarom helemaal zelf te doen en maakte een wonderschoon doelpunt, waarbij, vanaf de ongelukkige uittrap door onze eigen doelverdediger, die behalve ikzelf geen uitzondering op de regel vormde en vaak pas van de grond kwam als de bal al achter hem lag, tot aan het verbouwereerde gelaat van de zich met vakantie wanende doelverdediger aan de andere zijde van het veld, geen medespeler aan te pas had hoeven te komen.

Dat was sommigen niet ontgaan en ik werd als dreumes in het allerhoogste elftal geplaatst en mijn oudere broer die nu een elftal lager speelde uit misnoegen zijn lidmaatschap op zei. Maar ik was in dat hoogste elftal niet klaar voor het grote werk. Want wederom na zo’n wonderschone dribbel en ik een twee hoofden grotere slagersknecht met een varkenssnuit het achterste van mijn smalle beentjes had laten zien haalde deze alsnog uit en zwiepte mij zeker twee meter verderop, als het niet drie was, waar ik nog net niet buiten westen op de grond belandde en benieuwd was hoe de onverlaat in het gareel zou worden gebracht. De scheidsrechter wreef zijn ogen uit na het zien van deze aanslag die na de oorlog niet meer was voorgekomen en hapte naar adem alsof hij hetzelf had ondergaan. Weer bij zinnen gekomen stelde hij vast dat hier zeker een vrije schop voor gegeven kon worden. Dat was gelijk het einde van mijn voetballoopbaan want mijn koele verstand rekende mij voor dat met zulke varkensschoppen meer was te bereiken dan met mijn dribbels en ik miste daarvoor ten enenmale de aanleg.

Misschien begrijpt u nu waarom ik zo bezorgd was naar de toestand van Ronaldo na zijn uitvoering van die vermetele zo niet roekeloze ingeving. Ik kom hier ook op omdat wij in onze jeugd stripboekjes lazen over Kick Wilstra, een blonde Friese jongen die het Nederlandse amateuristische voetbal had verlaten en voor Arsenal de sterren van de hemel speelde en de striptekenaar hem een doelpunt liet maken zoals Ronaldo die in het echt heeft laten zien. U begrijpt dat ik mijn twijfels had over de echtheid van wat die striptekenaar ons meende te kunnen voortoveren, maar hem nu gelijk moet geven met die vooruitziende blik dat er circusartiesten zijn voor wie geen zee te hoog gaat.