Celeste Lupus

Celeste Lupus

Over dit weblog

Celeste Lupus schrijft over: literatuur, politiek, filosofie, recht, economie en wetenschap.

Jacques Brel

LiteratuurPosted by Roelof Bos Mon, January 22, 2018 13:31:51

OPFLIKKERING

In de Aveyron in Frankrijk is het hartje winter, midden januari. Elders is het ook winter, maar we zijn hier niet ver van Aurillac de hoofdstad van het departement de Cantal, het armste deel van Frankrijk. Het is daar steevast het aller-koudst als de teevee de weerkaart van Frankrijk toont. Het is de plaats waar de vondeling Remi zijn rondreis begint met zijn beschermer Vitalis, een zwerver die vroeger de beroemde Italiaanse zanger Carlo Balzani was. Zo vertelt ons het beroemde boek Sans Famille van Hector Malot. Het verhaalt over een wereld die ons vreemd moet zijn met een overheid die je van de wieg tot het graf verzorgt. Remi en Vitalis echter leefden in de negentiende eeuw en probeerden als straatartiesten te overleven.

Daar doet mij deze streek aan denken als het winter is. Je ziet geen mens en het enige wat in je opkomt is te schuilen. Al is het er in de zomer prachtig en zijn er ook wel toeristen, het biedt niet de oplossing voor de weinige werkgelegenheid die er is. Voor de liefhebber van de natuur is dat niet erg. Je moet je hier zelf vermaken en daar komen de meesten niet op af.

En als men hier verkeert hartje winter is het troosteloos, ondanks de herinnering aan de afgelopen zomer, het nog te lang duurt voordat in de lente de damp zal optrekken en de oudjes hun botten kunnen warmen. In de streek hier heeft de rivier de Lot niets lieflijks meer. Met de bruine modderstroom die het meevoert, afgegleden van hellingen waar de rots geen houvast meer biedt, jaagt het angst aan en verwacht je achter ieder gesteente, na iedere kronkeling in de weg geen mensen maar spookgestalten, kobolden, druïden, al naar gelang de mist het verkiest zich in een gedaante te vertonen.

Maar soms gebeurt er een klein wonder. In al deze troosteloosheid en de teevee allang geen uitkomst meer bood was er een klein berichtje over een voorstelling. Het zou gebeuren in de salle de fȇte, een vervallen feestzaaltje in het piepkleine dorpje Grand Vabre waar alle vermakelijkheid was opgeschort tot het verre voorjaar. In weinig feestelijke kledij kwam de schaarse bevolking er op af. Wie er optraden was onbekend. Een programma was niet voorhanden. De verwarming stond nog aan, maakte veel geraas en verspreidde een minder aangename lucht. Dat kon ook komen door de wasem uit de jassen van de bezoekers vermengd met de geur van de bezitter.

Het podium bood weinig opwekkends. De verhoging zou het wel houden, maar dat was het wel zo’n beetje. Wat er ging gebeuren bleef gissen. Zo nu en dan sloop door een triplex deur een schrale man met grijs piekhaar het podium op, pakte een gitaar, snoof er aan alsof het een onderhoudsbeurt nodig had, legde het weer neer alsof er niets mee te beginnen was.

Hij keurde de zaal met zo’n zestig mannen en vrouwen, zich gedragende als op een huishoudbeurs, geen blik waardig. Hoe lang het nog zou duren bleef ongewis, want in Frankrijk is het niet ongebruikelijk dat de voorstelling een uur later begint.

Maar daar kwam dan toch van achter uit de zaal een madame aanlopen die het op haar manier gemaakt leek te hebben. Ze klom wankele treedjes op naar de microfoon. Als présidente van de Association culture et patrimoine, de plaatselijke gezelligheidsvereniging, gebruikte ze weinig woorden om Manu en Sylvain te begroetten. Door het triplex deurtje was nu ook Manu tevoorschijn gekomen, die oogde als conferencier voor de buurtvereniging. De kwartiermaker met het grijze piekhaar moest Sylvain zijn.

Sylvain pakte de guitaar, begon er op te bonken wat weinig goeds voorspelde. Maar dat duurde niet lang. Wat volgde was een ode aan die veel te vroeg gestorven minnezanger. Manu was zichzelf, maar vooral Jacques Brel alsof die was herrezen. Sylvain ontpopte zich als een rasmuzikant, tokkelde swingende akkoorden, bruusk of zoetgevooisd al naar gelang de zang dat van hem vroeg. Met zijn kleine accordeon vertolkte hij de melodielijn in het lied Port d’Amsterdam, een meeslepende wals over de zelfkant in de haven, waar het leven weinig meer te bieden heeft dan het zinnelijke genot. Zijn mondharmonica bezong de weemoed van de eenzame mens.

De hier en daar wat rauwe stem van Manu leende zich voor de kreet van de mens die weinig goed kan doen, de verschoppeling die zich mooi voor wil doen. Manu zong met de hartstocht alsof hij ze allemaal beweende.

Maar hij begon met het lied van de stervende, le moribond:

Adieu Emile, curé, Antoine, ma femme. C’est dur de mourir au printemps tu sais. Je veux qu’on rit, qu’on danse, s’amuse comme des fous. Quand c’est qu’on me mettra dans le trou?

Vaarwel Emile, pastoor, Antoine, mijn vrouw. Te vergaan in de lente, dat is hard weet je. Jullie moeten lachen, dansen, als gekken te keer gaan. Wanneer ga ik in de kuil?

En daarna het lied les bourgeois:

Le coeur bien au chaud, les yeux dans la bière, chez la grosse Adrienne Montalant, avec l’ami Jo-jo, et avec l’ami Pierre, Jo-jo se prenait pour Voltaire, Pierre pour Casanova, moi je me prenais pour moi, et quand vers minuit passaient les notaires qui sortaient de l’Hotȇl ‘Des Trois Faisans’, on leur montrait notr’cul et nonbonn’s manières en leur chantant: les bourgeois c’est comme des cochons, plus ça devient vieux plus ça devient bȇte.

Helemaal in de stemming achter het bier, bij dikke Adrienne Montalant, met makkertjes Jo en Pierre, al twintig jaar lang, Jo was niet minder dan Voltaire en Pierre als Casanova, ik hield me groot, om middernacht kwamen de notarissen uit De Drie Fazanten, wij lieten ze ons poepertje ruiken en zongen: brave burgers zijn varkens hoe ouder hoe viezer.

Daarna les vieux:

Les vieux ne parlent plus, ne rȇvent plus, ne meurent pas, ils s’endorment un jour, ils se tiennent la main, ils ont peur de se perdre, et se perdre pourtant, celui des deux qui reste se retrouver en enfer, vous les verrez peut-ȇtre, vous les verrez parfois en pluie et en chagrin, en s’excusant déjà de n’ȇtre pas plus loin et fuir devant vous une dernière fois, la pendule d’argent qui ronronne au salon, qui dit oui qui dit non qui leur dit: J’attends.

De oudjes praatten, dromen, sterven niet meer, ze slapen in op een dag, bang elkaar te verliezen en dat gebeurt toch, hij of zij die er nog is komt in de hel, je hebt ze gezien misschien, soms in traan en met verdriet, met de schuld er nog te zijn, ze schuwen de zilveren pendule, die tikt in de salon en zegt ja, die tikt en zegt neen, die tikt in de salon en hen zegt ‘ik wacht’.

Manu nam een rust om zich ter verontschuldigen voor zoveel verdrietigheid. Sylvain steeg al improviserend boven zichzelf uit, waarna Manu tot zichzelf kwam, de draad weer oppakte. Hij zong het lied le plat pays:

Avec la mer du Nord pour dernier terrain vague, et des vagues de dunes pour arrêter les vagues, avec le vent d’ouest écoutez le tenir, le plat pays qui est le mien, avec des cathédrales pour unique montagnes et de noir clochers comme mats de cocagne, avec un ciel si bas qu’un canal s’est perdu, avec un ciel si gris qu’un canal s’est pendu, avec le vent du nord qui vient s’écarteler, avec le vent du nord écoutez le craquer, le plat pays est le mien, avec l’Italie qui descendrait l’Escaut, avec Frida la Blonde qui devient Margot, quand le vent est au rire quand le vent est au blé, quand le vent est sud écoutez le chanter, le plat pays qui est le mien.

Met de Noordzee waar helemaal niets is, de golvende duinen om te strijden tegen de golven, met de westenwind hoor hem tekeer gaan, met de kathedralen als bergen en torens om te beklimmen, met hangende luchten zo laag dat het kanaal er in zinkt, met grijze luchten dat een kanaal er in hangt, met de noordenwind die zich in vieren deelt, hoor hem gieren, het vlakke land is van mij, van Italië tot de Schelde, blonde Frida als Margot, als de wind door het koren gaat, de zuidenwind hoor hem zingen, het vlakke land is van mij.

Hier in deze zuidelijke riviervallei met rotsen en hellingen klonk dit lied over het vlakke land als een liefdesode aan een misdeeld kind. Het maakte diepe indruk. Zo ook het lied l’ivrogne :

Ami remplis mon verre, encore un et je vas, encore et je vais, non je ne pleure pas, je chante et je suis gai, mais j’ai mal d’être mois, buvons à ta santé, toi qui sais si bien dire qu’elle va revenir, tant pis si tu es menteur, je serais saoul dans une heure, buvons aux jeunes filles, qu’il me reste à aimer, buvons déjà aux filles que je vais faire pleurer, et tant pis pour les fleurs, qu’elles me refuseront, je serai saoul dans une heure, buvons à la putain, qui m’a tordu le cœur, buvons nuit après nuit, puisque je serai trop laid pour la moindre Sylvie, buvons puisqu’il est l’heure, je serai bien dans une heure, je serais sans espoir, ami rempli mon verre.

Vriend vul mijn glas, nog één en ik zal gaan, nog één en ik ga, ik huil niet, ik zing en ben vrolijk, maar ik ben niet helemaal mezelf, laat ons drinken op jouw gezondheid, jij die het allemaal zo goed weet, ze zal terugkomen, als je liegt het zou wat, ik ben bezopen over een uur, we drinken op de meisjes, die er nog zijn waar ik van kan houden, we drinken alvast op de meisjes die me niet zien staan, de bloemen die ze niet willen hebben, het zou wat, ik ben bezopen over een uur, we drinken op het neuken, dat me zo aan het hart gaat, laat ons drinken nachtenlang, ik ben te lelijk zelfs voor Sylvie, laten we drinken tot het tijd is, ik zal niet weten wat te doen, vriend vul mijn glas nog eens.

Plotseling was het afgelopen. De aanwezigen hadden anderhalf uur lang ademloos geluisterd, zonder enige nies of kuch. Manu en Sylvain waren er doorheen. Het was niet anders. We keerden huiswaarts. Het weer was afschuwelijk. Geen mens vertoonde zich op de weg. Maar na de liederen, de chansons van Jacques Brel, voelden we ons hier minder verlaten.









Beroepsethiek

LiteratuurPosted by Roelof Bos Mon, May 29, 2017 14:52:01

TESTAMENT

Ik toog naar de notaris en zei dat ik mijn testament wilde maken. Hij vroeg: “Wat moet er in?” Ik zei: “Neemt u maar op dat op mijn begrafenis mijn nabestaanden moeten zingen Hij leve hoog! Hij leve hoog! Maar wel op toon en met de juiste dictie.” De notaris schudde verbaasd zijn hoofd: “Waarom is dat in godsnaam?” Ik zei: “Dat is mijn manier om in de hemel te komen.” De notaris na wat nadenken: “Daar zit wat in. Wat gaat u doen daarboven?” Ik zei: “Spelen op de Steinway vleugel, op de fluit, ik heb een Myazawa en een Philip Hammig, oh ja, ook nog een renaissancefluit. De zang doe ik er ook bij. Neemt u dat ook maar op.” De notaris: “Denkt u dat ze daarboven een Steinway vleugel hebben?” Ik zei: “Jazeker, als ik de mijne meeneem wel.” De notaris schudde ongelovig zijn hoofd: “Zo’n ding is toch veel te zwaar daar boven.” Ik zei: “Daar heeft u gelijk in. Maar die beperkingen gelden alleen voor de mensen op aarde. De notaris: “Kan dat allemaal niet geregeld worden zonder mijn tussenkomst? Ik vrees moeilijkheden te krijgen met mijn geloofwaardigheid.”
“Met uw geloofwaardigheid?”
“Ja, in beginsel behoor ik op te schrijven wat de mensen van mij verlangen. Maar ik ben godvruchtig van aard, wat een rem legt op mijn vermogen mee te werken aan iets waar ik niet in kan geloven.”
“Gelooft u niet aan de hemel?”
“Jazeker geloof ik aan de hemel. Maar die Steinway vleugel, dat kan niet. Dat zingen misschien wel.”
“U beslist dat ik mijn Steinway vleugel niet mee mag nemen naar de hemel? Dat lijkt mij een reden voor een klacht.”
De notaris verschrikt: “Dat meent u niet.”
“Jazeker meen ik dat. U gelooft niet dat het kan en stelt dat boven uw plicht als notaris.”
De notaris zuchtend: “Hoe komen we hier uit!”
Ik zei: “Ik heb met u te doen. Laten we het houden op Hij leve hoog! Hij leve hoog! En vertrouwen op de goede afloop.”





Pamfletterie

LiteratuurPosted by Roelof Bos Sun, April 30, 2017 11:28:52

SPEURTOCHT VOOR SCHRIFTGELEERDEN

Ooit in het jaar 1990 verscheen er een pamflet getiteld De ondergang van Nederland – Land der naïeve dwazen door ene Mohamed Rasoel. Velen hebben zich suf gepiekerd wie daar achter zou zitten. Want de schrijversnaam kon niet echt zijn, moest ontleend zijn aan de islamitische spreuk La illa la il Allah, Mohamed Rasoel Allah, oftewel er is maar één God en Mohamed is zijn profeet. Niet dat Mohamed Rasoel, als men het pamflet leest, veel op heeft met die wijsheid. Het biedt een aaneenschakeling van hoe de nette behoorlijke Nederlander zichzelf voortdurend in de voet schiet, zo dat het lachwekkend, schrijnend wordt. Rasoel bestempelt de Nederlander als dwaas, naïef. En in wezen is dat nog zwak uitgedrukt. Want er is een nog kwalijker uitleg denkbaar over die Nederlander. Namelijk de Nederlander die het dan wel opneemt voor de hulpvragende vreemdeling aan de poort, maar dit doet uit berekening, omdat ook hij zich slachtoffer voelt, door wilszwakte, onvermogen iets te ondernemen en zich klein maakt om een ander de kastanjes uit het vuur te laten halen. Hij ziet die vreemde als gelijke, als medestander in de strijd om het bestaan die beiden uit de weg gaan.

Hoe dat ook zij, Mohamed Rasoel voorspelt onheil door zoveel gebrek aan inzicht en wilszwakte. Het is niet toevallig dat het pamflet in 1990 grote beroering wekte en dat het de veronderstelde schrijver, ene Zoka Mansoor A., een uit Pakistan afkomstige revue artiest, op een veroordeling wegens aanzetten tot haat op grond van ras of geloofsovertuiging kwam te staan. De sfeer in het land was dusdanig dat men zich gekrenkt moest voelen, bij de zuiveren van geest omwille van de vluchteling, bij de berekenende Nederlander door het gevoel zich in de kaart te hebben laten kijken.

Het is niet daarom dat ik dit stukje schrijf. Neen, het gaat hier om de vraag wie het pamflet werkelijk geschreven heeft. Dat Zoka Mansoor A. het helemaal alleen heeft geschreven kan ik niet aannemen. Daarvoor is de stijl te wisselvallig, hier en daar literair en scherpzinnig, met een kennis van zaken die men van een revue artiest niet kan verwachten. Ene W. Drees uit ’s-Gravenhage schreef naar aanleiding van een bericht in de NRC een ingezonden brief, geplaatst op 9 november 1990. Hij neemt stelling tegenover de mening van de taalkundige prof. T.A. van Dijk dat Gerrit Komrij de schrijver zou zijn, hetgeen de laatste verontwaardigd ontkende. Eerlijk gezegd zou ook mij dat verbazen, want Gerrit Komrij meen ik te kennen als een letterkundige die als zoveel van zijn soortgenoten zich kon laten verblinden door het geweeklaag. Zonder het pamflet te kennen formuleert W. Drees behoedzaam dat naar zijn mening Gerrit Komrij niet de schrijver kan zijn. Drees kent Komrij niet, maar Rasoel wel, die allochtoon is, geen perfect Nederlands spreekt en onvoldoende kennis van de Nederlandse instituties heeft. Drees meent aan de hand van de persberichten dat het motief van Rasoel is de waarschuwing tegen onverdraagzaamheid, tegen fundamentalisme.

Allereerst, wie was deze W. Drees? Hij zou de zoon dan wel de kleinzoon van de grote Drees kunnen zijn. De zoon als leider van de teloorgegane politieke partij DS ’70 die zich verzette tegen het verloederde socialisme, ofwel de kleinzoon, natuurkundig en theologisch geschoold. Bij mij kwam even de gedachte op dat deze Drees zelf de auteur van het geschrift zou kunnen zijn geweest, maar verwierp dat onmiddellijk. Het geslacht Drees kenmerkte zich door gedegenheid, behoedzaamheid, wars van strapatsen.

Er was eens in Nederland een pamflettist die zich bediende van zoveel schuilnamen dat zijn slachtoffers wel in de war moesten raken en dat was natuurlijk ook de bedoeling. Piet Grijs, Stoker, Raoul Chapkis, Battus, Victor Baarn, Batticus, Hugo Battus, Dolf Cohen, Maaike Helder, Peter Malenkov, Talisman en dat is nog maar een fractie van zestig of zeventig andere schuilnamen waarvan hij zich bediende. Ik herinner mij dat Battus de toenmalige minister president Biesheuvel niet kon uitstaan vanwege diens walgelijke operettehoofd. Ook Piet Grijs maakte het zeer grijs en zo verder. Zelf vond ik dat deze pamflettist eruit zag als een aan het celibaat ontsnapte priester met de verholen blik of hij daar wel goed aan gedaan had. Misschien dat hij daardoor zulke fletse kinderen kreeg. Beiden traden dan wel in de voetsporen van de vader, echter hun bespiegelingen over het leven smaken naar slappe thee.

Maar de vader vermoordde de loopbanen van de criminoloog Wouter Buikhuisen en de rechtsfilosoof Paul Cliteur. Hij doet denken aan de linkse rakkers na de oorlog die voor Moskou de poort openden, maar schielijk hun waffel hielden zodra uitkwam dat ze in de oorlog fout geweest waren. En men moet er bewondering voor hebben dat Piet Grijs het zo wist te klaren dat niemand op de gedachte kwam hem aan te geven voor aanzetting tot haat, alhoewel Buikhuisen als gevolg van diens aanvallen te maken kreeg met bommeldingen, zijn oratie werd verstoord en hij met de dood werd bedreigd. Ook Cliteur voelde zich door zijn opiniestukken bedreigd, als ook door die van Marcel van Dam en Thijs Wöltgens.

Er heerst een gespleten geest in Nederland. De één mag aanzetten tot haat, omdat het politiek correct is. De ander mag het niet, omdat de waarheid verdraaid mag blijven worden. De in Oost Duitsland onder het Stasi bewind levende protestzanger Wolf Bierman zou hiermee uit de voeten hebben gekund, die in zijn liederen de moraal vertolkte waarvan hij over zijn nek ging.

Het is maar een gedachte. Het raadsel van Mohamed Rasoel blijft onopgelost, misschien is het Piet Grijs geweest die het schreef, om zijn geweten te sussen.





Kleding

LiteratuurPosted by Roelof Bos Thu, March 30, 2017 16:49:31

HOOFDDOEK

Zag gisteren bij Pauw op de teevee een vrouw met een hoofddoek. Op gevaar af hiermee aanstoot te geven wil ik kwijt mij hier zorgen over te maken. Ik weet dat politici ons willen dwingen dat normaal te vinden, maar bij mij kan het er niet in. Die vrouw had een hoofddoek zo strak om haar hoofd gebonden dat ze er wel in kon smoren. Ze zat naast een professor die ging over de veiligheid en die zei dat er veel meer radicale jongeren waren dan we dachten. Die vrouw was een soort sociaal werkster binnen de moslimgemeenschap en probeerde jongeren daar te behoeden voor verkeerde gedachten. Men zegt wel en dat zei die mevrouw met die hoofddoek ook dat radicalisering niets met de islam te maken heeft en dat ook vele moslims het slachtoffer zijn. Ik ervaar dat toch als een belemmering van de vrije gedachte want radicalisering komt eigenlijk alleen onder moslims voor. Radicalisering, moordzucht tegenover andersdenkenden is het resultaat van een aantal omstandigheden. Allereerst het geloof zelf dat zoiets moet rechtvaardigen. Dat doet de koran ook al willen geletterde moslims daar over heen lezen. Verder de aanwezigheid van machtswellustelingen die aan hun genot komen door te onderdrukken en in het zich gekleineerd voelen het middel zien tot het oproepen van wraak tegenover critici. Verder het analfabetisme, de ongeletterdheid, de slaafse navolging door het onvermogen te kunnen oordelen.

Waarom droeg die vrouw bij Pauw, die toch zou moeten kunnen oordelen, die afschuwelijke hoofddoek? Ik breek me daar het hoofd over. Ze wordt daartoe gedwongen of ze wil het zelf. Als ze het zelf wil weet ze dat het in ons land aanstoot geeft. Ik kan me niet voorstellen dat die hoofddoek gedragen werd om zich tegen de kou te beschermen. Integendeel, in die warme omgeving van dat praatprogramma moest die hoofddoek toch al gauw verstikkend worden. Dat het met zo’n hoofddoek niet prettig zit leren ook onze koninginnen die in het Midden Oosten met zo’n ding op lopen terwijl ze dat hier wel nalaten.

Ik dacht toen als die mevrouw het zelf wil en het heeft geen nut, dan is het om te laten zien hoe je je behoort te kleden. Sociale dwang dus. Men kan tegenwerpen dat het onschuldig was, zoiets als klederdracht of een clubuniform. Toch werd mijn ongerustheid er niet minder door want het gezegde ’s lands wijs ’s lands eer gold bij ons niet meer. Tot ik op een bevrijdende gedachte kwam. Misschien was zij undercover.

John le Carré

LiteratuurPosted by Roelof Bos Tue, November 29, 2016 12:20:19

The Naive and Sentimental Lover door John le Carré

Van een vriend kreeg ik het boek dat hierboven als titel vermeld staat. Hij zag daarin overeenkomsten met mijn eigen romans, althans wat betreft het begin. John le Carré, pseudoniem van David Cornwell, beschouwde het als zijn beste boek, terwijl het veel minder succes had dan sommige van zijn andere boeken, waarvan de bekendste zijn The Spy Who came in from the Cold, Tinker Tailor Soldier Spy en Smiley’s People. John le Carré werkte vijf jaar in de Britse diplomatieke dienst, gedurende welke hij de boeken Call for the Dead, A Murder of Quality en The Spy Who came in from the Cold schreef.

Het boek The Naive and Sentimental Lover gaat niet over spionnage, zoals zijn andere boeken. Het gaat over Aldo Cassidy, een geslaagde zakenman, die fortuin heeft gemaakt met kinderwagens voorzien van een veiligheidsrem. Zijn vader, Old Hugo, een flamboyante, zijn zoon altijd nog belerende figuur, probeerde het met het uitbaten van hotels, met meer en minder succes, zoals uit het verhaal op te maken valt. Aldo Cassidy is getrouwd met Sandra, heeft met haar twee zoons Mark en Hugo, is met zijn achtendertig jaar de beminnelijke leider van zijn kinderwagenimperium, wiens woorden alleen thuis verkeerd kunnen vallen. Zodoende verzwijgt hij voor zijn echtgenote, met wie hij een plichtmatige verhouding heeft gekregen, uitstapjes gedreven door een heimelijke wens. Het boek begint met de mededeling aan zijn vrouw dat hij naar Bristol moet voor zoiets als stadsplanning, voorgevende locale politieke aspiraties te hebben. Zijn vrouw kan niet mee volgens Aldo, zij drijft immers haar kliniek, kennelijk uit liefdadigheid. In werkelijkheid bezichtigt Cassidy een manor house genaamd Haverdown, een vervallen buiten dat zijn romantische verlangens heeft gewekt. Daar ontmoet hij een duister echtpaar, Shamus en zijn bloedmooie vrouw Helen, die het kasteeltje hebben gekraakt. Shamus, een soort David Bowie achtige figuur, is een schrijver die na een writers block bij zijn uitgever Dale in ongenade moet zijn gevallen. Shamus moet in de steenrijke Cassidy zijn verlosser zien. Cassidy raakt in de ban van Shamus die hem de ogen opent en met zijn magie hem verlost van de many too many, ofwel in goed Nederlands ‘het klootjesvolk’. Shamus is de getormenteerde, gekwelde kunstenaar zoals de eenvoudige man die uit overleveringen meent te herkennen, voor wie het leven te benauwd is, zich van wet of moraal niets hoeft aan te trekken en zo ontzag afdwingt bij hem die altijd in het keurslijf heeft moeten lopen. Zo eigent Shamus zich Aldo Cassidy toe als zijn beschermheer, die zich moet voegen naar de grillen van de grote kunstenaar, de ziener, alles onder het blazoen van de grote liefde voor elkaar. Het kan niet anders dan dat zoiets uit de hand loopt. Want met de inzet van Helen als de begeerlijke vrouw, die Aldo Cassidy zijn echtgenote Sandra, the bosscow, moet doen vergeten, overspeelt Shamus zijn hand door Helen aan Cassidy uit te huwelijken.

In dit groteske verhaal, waarin Aldo Cassidy onder de bekoring, de magie van Shamus raakt, hij zich laat vernederen als kasstijding voor zijn zakelijke succes, spelen Wahrheit und Dichtung zich afwisselend af. Waarom John le Carré dit zijn beste boek vond lijkt voer voor psychologen. Groten als Nietsche, Klopstock en andere namen uit de Duitse literatuurgeschiedenis worden als Spielerei ten tonele gevoerd, waarmee het nihilisme van Shamus geduid zou moeten worden, die met zijn bizarre gedrag zijn leegheid moet verbloemen.

In de Latijnse cultuur zou een dergelijke ontwikkeling moeten uitlopen op een noodlottig drama, zoals bijvoorbeeld in de Franse film La femme d’à côté. Zelf bij het lezen van het boek dacht ik aan een afloop à la Harold Pinter, die een meester was in het verbeelden van de verborgen drijfveren in de mens. Het lijkt erop of John le Carré dat uit de weg is gegaan. Alsof hij is teruggedeinsd voor iets dat voor de hand lag. Vreemd genoeg krijgt het slot daardoor iets onbevredigends. Na zoveel onzinnig, grotesk gedrag lijkt een terugkeer naar een zekere rede niet voor de hand te liggen.

Het blijft de vraag wat John le Carré met het boek heeft willen uitbeelden. Wellicht de vraag naar de zin van het leven, die de burgerman minder te zeggen heeft, maar de gemankeerde kunstenaar zoveel te meer.











Nostalgie

LiteratuurPosted by Roelof Bos Sun, September 11, 2016 16:36:09

HOTEL VAN DER WERFF

Hotel Van der Werff op Schiermonnikoog is een begrip. Van een goede vriend kreeg ik daarover de volgende informatie. Jan Fischer, hij studeerde van 1962-1965 economie aan de R.U. te Groningen, kocht het in 1982 van de erfgenamen van “Juffrouw Dien” voor 1,3 miljoen gulden, zij had het in 1955 overgenomen van Sake van der Werff. Onder het motto ”vernieuwing is een gebrek aan zelfbeheersing” probeerde Fischer het hotel te behouden of de tijd had stilgestaan. Hoewel dit jaar de prijs van een kopje koffie verhoogd is van 0,60 cent naar 0,80 cent. Jan Fischer was altijd gekleed in zijn eeuwige blauwe pak. Toen in 1981 juffrouw Dien overleed, die haar hele leven vrijgezel was gebleven, is er een comité van Verontruste Hotelklanten, onder leiding van Willem Duisenberg, in het leven geroepen. Er werd een obligatielening van 300.000 gulden uitgeschreven, waarvan de renteopbrengsten alleen in het hotel kon worden besteed. Jan Fischer ging het kopen, hij trouwde en kreeg twee kinderen, Rob en Charlotte. Tien jaar later pakte zijn echtgenote de bus naar de boot en verdween. Op vakantie ging Jan nooit. Eén keer per jaar stak hij de weg over en ging hij zijn grote concurrent Andre Zandt van Graaf Bernstorff gelukkig Nieuwjaar wensen. Ook de gebroeders Ankers (bekende advocaten in Nederland) sliepen altijd in dezelfde kamer in het hotel. Jan Blauwpak was een man van weinig woorden, zei Anker. Goedemorgen, dat was het enige was hij tegen me zei. Heel soms als ik geluk had, zei hij welterusten. Met die zwijgzaamheid plaagden de gebroeders Ankers hem soms: zei je wat, Jan? Wibo van de Linde, journalist en tv maker kon zich eraan storen dat van Fischer een karikatuur werd gemaakt. Volgens Wibo was Jan een erudiete man. Op 3 september 2014 overleed Jan Fischer op 74-jarige leeftijd. Hij wilde worden opgebaard op zijn geliefde biljart, in de gelagkamer en uiteraard werd zijn laatste opdracht uitgevoerd. Hij werd begraven naast Sake van der Werff.

Tot zover het relaas van mijn vriend.

Zelf herinner ik mij Hotel Van der Werff onder het toeziend oog van juffrouw Dien met een heel bijzondere sfeer. In de gelagkamer kon een koor spontaan in gezang uitbarsten. Ik heb er de uitgever Thieme uit Zutphen ontmoet, die op Schiermonnikoog zijn vogelboeken kwam verkopen. Waarschijnlijk was hij de grootvader van Marianne Thieme, lid van de Tweede Kamer voor het welzijn der dieren. Ook herinner ik mij het bezoek aan de beeldhouwer Van Waning, tachtig jaar oud die op het eiland een afgezonderd leven leidde.

Na de overname door Jan Fischer veranderde misschien niet het interieur, maar wel dat hij als man op de achtergrond, niet in blauw pak maar in trui en manchesterbroek, in een achterkamertje de genuttigde verteringen bijhield en voor de vertrekkende gasten minutieus de rekeningen opmaakte. De bedden waren doorgezakt en het slechte slapen probeerde je te verdrijven met Beerenburg in de gelagkamer. De schrijfster Doeschka Meijsingh schijnt ooit kond gedaan te hebben van de gehaktbal die daar in het etablissement verkeerd was gevallen. Liefhebbers van Beerenburg hebben daar geen last van. Voor hen blijft Hotel Van der Werff het toevluchtsoord voor amateur strandjutters met het verlangen naar het ruige leven, dat Hotel Van der Werff ziet opduiken als het walhalla waar wederom Beerenburg de pijn verzacht en de toekomst niet verder gaat dan het wachten op de bus naar de boot, die zoals mij is verteld door de vrouw van Jan Fischer werd versmaad bij haar laatste vertrek. Jan Fischer schermde graag met belangrijke gasten, zoals Jan Terlouw die met zijn familie het hotel eer had aangedaan.

De tijd van Sake Van der Werff en later juffrouw Dien is voorbij, toen het zich kon vergelijken met een etablissement als De Rustende Jager in Bergen Binnen, waar de weemoed het hoogste woord had en ketsende biljartballen dat alleen maar konden onderstrepen.

Met Jan Fischer werd de weemoed een handelsobject, hij was per slot van rekening econoom. Ook Willem Duisenberg zal daar aan hebben bijgedragen, die ik mij kan herinneren in een geheel ander etablissement, namelijk in de kleine besloten societeit Het Jagertje in Den Haag waar hij zich liet fêteren door de onroerend goed makelaar Zadelhof en Duisenberg daar zo onder de indruk van moet zijn geweest dat hij bij het afscheid van de ABNAMRO bankier Hazelhoff in het Concertgebouw de laatste toesprak met ‘Beste Zadelhof’ en de haastige verbetering niet veel meer kon goedmaken.

Ik zou opnieuw naar Hotel Van der Werff willen gaan om er ver afgezonderd een verhaal te schrijven, bezield door herinneringen aan vroeger. Ik vrees echter dat zoiets niet meer mogelijk is. Ik hoor nu al in de gelagkamer de stamgasten in de weer met hun I-phones en Smart-phones, die belangrijker worden gevonden dan de rust waarmee het hotel wordt uitgevent.

De tijd van vroeger zal nimmer keer weerom.



Film

LiteratuurPosted by Roelof Bos Sun, September 20, 2015 18:23:31

De wereld groter dan het benauwde dorp

Een goede vriend zond mij krantenberichten over een tentoonstelling over Michelangelo Antonioni in het Eye museum. Waaronder een stuk van André van Waardenburg ‘Pro Antonioni, de beste regisseur aller tijden’. Zijn stuk lezende kon ik hem nauwelijks volgen, want films die hij noemt heb ik nooit gezien. Het was wel een verrassing deze filmregisseur zo naar voren te zien halen. Michelangelo, ik dacht eerst van doen te hebben met die plafondschilder van de Sixtijnse kapel. Maar al snel rezen flarden op uit zijn film Blow-Up, de enige die ik ooit gezien heb, ik dacht in 1967. Ik zie beelden van een fotomontage in een studio waar een fotograaf iets opvalt en hij een stuk van het beeld steeds verder uitvergroot. Tot hij heel vaag van onder een struik een been naar buiten ziet steken. Zo ontdekt hij een misdrijf. Verder herinner ik mij twee jonge meiden, waaronder de piepjonge Jane Birkin, die naakt of halfnaakt door de fotograaf (van een of ander glossy blad) op de grond liggend in een tapijt beurtelings erin en er weer uit gerold worden. Dat was indertijd iets wat door de recensenten als een belevenis beschouwd werd. Zelf zag ik dat niet zo.

De grootheid van Antonioni ontging mij derhalve. In het stuk van André van Waardenburg ‘Pro Antonioni, de beste regisseur aller tijden’ komt hij wel meer tot leven, maar bevestigt ook mijn herinnering. De grootheid van Antonioni lijkt op de man die op het podium luidkeels verkondigt dat hij niets te zeggen heeft. Maar ook dat is een bijdrage aan het leven. Zoiets als de latere tv cultuur van John de Mol met Big Brother.

De kernvraag blijft wat de overeenkomst is tussen mijn boeken en de films van Antonioni. André van Waardenburg schrijft: ‘Met het ontdekken van Antonioni begreep ik dat de wereld groter was dan mijn benauwde dorp.’ Mijn vriend ziet in mijn boeken hetzelfde thema. Dat wordt zeer gewaardeerd, maar er is wel verschil. Van Waardenburg was nog maar zestien, zeventien jaar oud met zijn ervaring. Hij woonde ook nog op een dorp zonder bioscoop.

Na lezing van de drie krantenberichten over de tentoonstelling blijft de indruk dat zijn films vooral opvallen door het raadsel dat hij opwierp: vertel ik wat of is het niet meer dan een toverlantaarn met uitvergrote straatbeelden, met hier en daar iets dat ook wel een gimmick genoemd wordt? Het lijkt dan op performancekunst, iemand die op straat zo nadrukkelijk zichzelf staat te wezen dat het opvalt. Antonioni lijkt het verhaal uit de weg te gaan omdat hij genoeg heeft aan plaatjes om in weg te dromen.

Van Waardenburg ziet hier en daar nog wel enige emotionaliteit, zij het onder de oppervlakte. Het voorbeeld dat hij geeft bevestigt eigenlijk mijn opvatting, het verhaal, de emotie heeft de voorspelbaarheid van een reclamebeeld.

De grootheid van Antonioni bestaat dan uit zijn vakmanschap. Kunst is teveel gezegd. Het leven heeft meer reliëf dan het beeld van Antonioni laat zien.









Verschijnselen

LiteratuurPosted by Roelof Bos Tue, June 16, 2015 14:28:01

LINDA DE MOL EN DE NATUURKUNDE

Natuurkundigen onderzoeken verschijnselen. Dat kan een verschillend doel dienen. Technici zoeken naar een middel om een bruikbaar apparaat te maken. De theoretici zijn meer op zoek naar het wezen der dingen. En als men dat nader bekijkt valt het op dat het ene verschijnsel verklaard wordt met het andere. Linda de Mol doet ook zoiets. In haar blad Linda probeert ze uit te leggen waarom vrouwen vallen op foute mannen. Dat zijn playboys met sportwagens en Guccipakken, kortom alles wat glimt. Dat is fout volgens Linda, maar wel spannend. Fout omdat er geen liefde in het spel is en spannend, ja waarom spannend, dat verklaart ze niet.

Dan zal ik het maar doen. Het is spannend omdat liefde saai is. Liefde is trouw en dat betekent alles steeds maar weer opnieuw hetzelfde. Zo begrijp ik Linda de Mol. Wat ik niet begrijp is waarom glim fout is. Want dan is Linda de Mol zelf hartstikke fout. Bij alles wat ze doet probeert ze een beetje aandacht voor een wat diepere gedachte te voorkomen. En dat is eigenlijk de definitie voor glim. Figuurlijk dan, maar dat mag hoop ik.

Eigenlijk is alles wat Linda doet een aansporing, een verborgen boodschap om een beetje fout te gaan. Zo wordt het leven leuk en spreekt zij zichzelf tegen. Net zoals in de natuurkunde houdt zij zichzelf voor de gek. Zeg het nu maar eerlijk Linda, fout is niet fout, anders ben je nergens.