Celeste Lupus

Celeste Lupus

Over dit weblog

Celeste Lupus schrijft over: literatuur, politiek, filosofie, recht, economie en wetenschap.

Onbegrip

FilosofiePosted by Roelof Bos Wed, April 22, 2015 14:40:17

EEN OPZICHTIGE JOOD OF HET VRIJE WOORD

“Wat vindt u van Bram Moszkowicz?

“Ik vind hem een opzichtige jood.”

“Wat! Hoe kunt u dat nu zeggen?”

“Hoe bedoelt u dat?”

“Wel, dat hoef ik u toch niet uit te leggen. U deelt toch onze afkeer van wat er vroeger is voorgevallen. Voor en na de oorlog.”

“Ik zie het verband niet.”

“Uw manier van spreken herinnert aan de wijze waarop ook in ons land over landgenoten werd gesproken en waarvoor wij ons na de oorlog diep schaamden.”

“Ik zie het verband nog steeds niet.”

“Begrijpt u dan niet hoe uw opmerking dat afschuwelijke verleden weer kan oprakelen?”

“Neen, dat begrijp ik niet.”

“Hoeveel mensen zullen zich wel niet aangesproken voelen?”

“Anderen dan Bram Moszkowicz?”

“Ja, anderen. Al die mensen die de oorlog overleefd hebben en waarvan het overgrote deel van hun familie in de gaskamers is omgekomen.”

“Maar waren dat allemaal opzichtige joden en wat heeft dat met Bram Moszkowicz te maken?”

“Neen, niets natuurlijk. Maar waar het om gaat is natuurlijk de angst voor de aanzetting tot haat, zoals dat vroeger is gebeurd.”

“Dus de vermelding van iemands geloofsrichting moet achterwege blijven als het als een minder gunstige karakterduiding kan worden opgevat? Zoals ook het woord ‘neger’ uit het woordenboek wordt geschrapt? Dit op straffe van het aanzetten tot haat?”

“Het gaat er natuurlijk om in welk verband het wordt gezegd en tegen wie.”

“Toch klopt het niet. Om terug te keren tot het voorbeeld van Bram Moszkowicz. Hij is jood en komt er op de televisie nadrukkelijk voor uit. Sterker nog, hij doet er meermalen een beroep op om zijn houding te verklaren. Daarnaast staat vast dat hij pronkzucht vertoont, zijn voormalige kantoorgebouw was uitbundig versierd. Het lijkt erop of het zich vooropstellen om jood te zijn een afweer moet vormen tegen mogelijk ongewenste aanvallen. Waar een ieder van onverdachte huize uitgemaakt mag worden voor wat niet al, daar is een lid van een kwetsbare etnische groep of geloofsrichting bij voorbaat van ongewenste kritiek gevrijwaard, ook al betreft het een spontane beoordeling.”

“U ziet het te somber in, als ik het zo zie. U vergeet echter dat het noemen van dingen bij de naam in strijd kan komen met een eigen verantwoordelijkheid.”

“In strijd met een eigen verantwoordelijkheid?”

“Ja, of misschien druk ik mij niet goed uit. Het noemen van de dingen bij de naam kan men zich niet altijd veroorloven. Het zijn de omstandigheden die bepalen wat er wel en wat er niet gezegd kan worden.”

“Ik kan dus onder de huidige omstandigheden Bram Moszkowicz geen opzichtige jood noemen?”

“Neen, net zo min als u uw buurman zou kunnen bestempelen als een kortzichtige mohammedaan.”

“U bedoelt dat een kortzichtige mohammedaan niet bestaat? En wat vindt u van de man die zegt ‘noem mij geen moordenaar, anders maak ik jou dood’?”

“U legt mij woorden in de mond die ik niet gezegd heb.”

“U zegt het niet, maar wat zegt u wel?”

“U blijft een slecht verstaander. Nogmaals, het zijn de omstandigheden die bepalen wat er wel en wat er niet gezegd kan worden.”

“U geeft er de voorkeur aan dat de dingen niet gezegd worden? Tenminste dat beluister ik in uw redenering. U zet zich immers vooral af tegen wat er wel gezegd wordt.”

“Nu beticht u mij ervan aanhanger te zijn van valse voorstellingen van zaken. U doet mij onrecht. Ik probeer de zaken zo voor te stellen dat tegenover elkaar staande partijen geen aanstoot aan elkaar hoeven te nemen.”

“Dat kan alleen maar als u een groot deel van de werkelijkheid verzwijgt. Wat schieten we daarmee op? U schept voor de korte tijd rust terwijl er niets wordt uitgeproken. Wat beoogt u daarmee?”

“Begrijpt u dat dan niet? Wij beogen begrip voor elkaars standpunt op te brengen.”

“Wat? Voor standpunten die onuitgesproken blijven? Standpunten kunnen alleen ingenomen worden in een wederzijds gesprek.”

“Die standpunten zijn vooraf bekend. Dat kan iedereen vinden in de wederzijdse media.”

“Dat bedoel ik niet. Het gaat om het ontwikkelen van een standpunt als reactie op dat van de ander. Het al bekende standpunt van de ander kan alleen dienen als vertrekpunt. Het gaat erom zich te kunnen inleven in de wereld van de ander. Aan de hand daarvan kan tot een eigen standpunt worden gekomen en vervolgens misschien tot een vergelijk.”

“En u denkt dat dat het noemen van de dingen bij de naam dat mogelijk maakt? U vergeet en miskent de ondoorzichtigheid van de besluitvorming om een groep te besturen. Een rationele grondslag zou rekening moeten houden met alle belangen en de afweging daarvan kan alleen maar door weinigen worden begrepen. Laat staan dat er een offer voor gebracht zou moeten worden als het in een persoonlijk nadeel zou uitvallen.”

“U hebt mij overtuigd.











Aardrijkskunde

FilosofiePosted by Roelof Bos Sat, February 14, 2015 15:39:23

MEKKA LIGT IN EUROPA

Volgens de schrijver Abdelkader Benali in NRCDEWEEK van maandag 26 januari 2015 zou de Franse schrijver Michel Houellebecq in een interview met Le Figaro gezegd hebben: “Mensen kunnen niet zonder God leven. Dan word het leven ondraaglijk.” Benali vermeldt dit als kennelijk verweer voor zijn onbetamelijke gedrag als puber op school, waar hij de fatwa tegen Salman Rushdie verdedigde wegens belediging van de profeet.

Dit lezende moet ik allereerst opmerken dat het mij wederom moeilijk valt aan te nemen wat ik vaak moet horen, namelijk dat de islam vredelievend is en geen mensen wil doden. Voorts meen ik dat Benali de uitspraak van Houellebecq verkeerd opvat. Benali ziet het als rechtvaardiging, als vergoelijking voor wat hij nu schoorvoetend toegeeft, verkeerd gedrag. Immers zijn behoefte aan god was er de oorzaak van. Het is een rechtvaardiging zoals de dief die brood steelt omdat hij niet te eten heeft.

Helaas voor Benari denk ik dat Houellebecq geen medestander is. Wie diens boek ‘Soumission’ heeft gelezen ontkomt niet aan de ondertoon erin. En dat is het wegkijken om geen stelling te hoeven nemen tegen een verontrustende ontwikkeling. Immers het leven is al zwaar genoeg. Dat mensen niet zonder god kunnen is in dat licht bezien alleszins begrijpelijk. Zonder god wordt de verantwoordelijkheid te zwaar. Schuld hoopt zich op als een ondraaglijke last. Met een god komt alles in het reine, kan absolutie verkregen worden.

Abdelkader Benali is in de valkuil gevallen die Houellebecq heeft opgezet. De mensen willen geen verantwoordelijkheid en daarom geloven ze in god. Benali meent absolutie te kunnen krijgen op grond van een uitspraak die ironisch bedoeld is. Zo troost Benali zich met een fopspeen.

Het is zonneklaar dat dit geen goed middel is om uit de identiteitscrisis te geraken waarin hij verkeert. Want dat hij daarin verkeerd is wel zeker. Hij schrijft: “Sinds 11 september 2001 twijfelden ook heel veel Europese moslims waar ze bij horen. Horen ze bij het Parijs van Voltaire of het Mekka van Mohammed! Dat is de verkeerde vraag. De moslims zijn net zo Europees als de Roma, homoseksuelen, intellectuelen, boeren en fabrieksarbeiders. Wij zijn al eeuwen in Europa en politici en pers moeten eens ophouden te doen alsof wij gisteren zijn aangekomen. We zijn hier en blijven hier.”

Wat mij betreft mag Benali blijven als hij geen rotzooi trapt. Maar dat moslims al eeuwen in Europa zijn kan ik alleen maar aannemen als hij bewijst dat Mekka in Europa ligt.



Religie

FilosofiePosted by Roelof Bos Fri, January 23, 2015 21:48:12

INKEER

Ik lees in NRC DEWEEK van maandag 19 januari j.l. een artikel van de oud-docent levensbeschouwing Hendrik Gommer. Door een liberale moslim kwam hij tot inkeer. De fatwa van ayatollah Khomeiny over Salman Rushdie was niet het bewijs dat religie een bron van haat is. Was de tweede wereldoorlog soms door religie ontstaan? En de Rote Armee Fraction in Duitsland? De treinkapingen door Molukkers? De politionele acties van de Nederlanders in Indonesië?

Ik ben bang dat deze oud-docent levensbeschouwing over het hoofd ziet dat moordenaars verschillende motieven kunnen hebben. In een debat of religie aanzet tot haat, tot moord, heeft het geen zin te verwijzen naar andere moorden met andere motieven. Waar het om gaat is en blijft de vraag naar het hoe en waarom mensen uit naam van een religie moorden willen begaan.

Goed beschouwd was het oorspronkelijke christendom niet meer dan een leerschool om met zichzelf in het reine te kunnen komen, verlost te worden van het kwade dat in een ieder steekt. Er waren geen leiders en volgelingen. Jezus Christus was een leraar die zijn leerlingen onderwees hoe de aandriften te beheersen. Echter tussen leraar en leerling en een leider met volgelingen bestaat een groot verschil. Een leraar probeert zijn leerlingen te onderwijzen hoe zich een eigen oordeel te vormen. Een leider wijst de weg en grijpt in als er iets verkeerd gaat. Wat er verkeerd gaat bepaalt de leider.

Het grote verschil is dat een leraar macht wil overdagen maar een leider niet. Die wil sturen en zonder macht kan hij niet sturen. Een ander kenmerk van leiderschap is dat volgelingen geen andere verantwoordelijkheid dragen dan die welke de leider van ze verlangt. In de islamitische religie wordt er vele malen per dag geknield met geen ander doel dan te laten zien dat men zich onderwerpt. In de katholieke kerk komt dat knielen ook voor. In het protestantisme niet, althans minder.

Met volgelingen die zich onderwerpen ontstaat een ontzagwekkende macht. Maar daarmee ook angst om die kwijt te raken. Hoe kan men die kwijtraken? Dat laat zich raden. Bijvoorbeeld door een boek van Salman Rushdie of een blaadje zoals Charlie Hebdo. Voor die schrijvers en tekenaars is het apekool wat die leiders beweren. Zij laten dat in woord en tekening zien.

Geen wonder dat de leiders zich bedreigd voelen. Zij voelen zich op dezelfde wijze bedreigd als het Joodse rabbinaat door Jezus Christus. Die leiders worden gedwongen een fatwa uit te spreken, want zonder fatwa verdwijnt hun gezag.

Het kenmerk van religie is een onzichtbare macht die volgelingen menen te zien in de persoon van hun leider. Die hogere macht is onverenigbaar met onze democratie, ons staatsbestel van scheiding van kerk en staat. Een echte religie onderwerpt zich niet aan een democratie met een dergelijk staatsbestel. Een echte religie erkent uitsluitend een staatsbestel dat zich onderwerpt aan de religie, zoals dat vroeger voor de verlichting ook in het westen bestond. De islam wil het kalifaat als staatsbestel.

Hendrik Gommer schrijft: ‘De discussie over religie als onafhankelijke entiteit is nogal onzinnig. Laten we eerst beginnen met vast te stellen wie de mens eigenlijk is, dan volgt het antwoord op de vraag naar de ware aard van de religie zelf’.

Hierover kunnen drie dingen gezegd worden. De vraag wie de mens eigenlijk is kan niet beantwoord worden. Daarvoor zijn de mensen te verschillend. Er zijn leiders en volgelingen, maar dat is lang niet alles. In de tweede plaats is discussie over religie in het geheel niet onzinnig. Religie is een macht waar de wereldlijke macht geen invloed op heeft. Voor de rest bestaat de religieuze beleving uit niet meer dan een vorm van traditionele cultuur. Die cultuur is geen enkel gevaar. De religie daarentegen wel. Die is gevaarlijk omdat het zich wil bewijzen boven alles en iedereen. Voorzover islamaanhangers beweren dat hun religie vreedzaam is bedoelen zij hun cultuur. Een echte religie is nooit vreedzaam. Zelfs het protestantisme niet.

Om nogmaals Hendrik Gommer te citeren: ‘Religie kan zo als een versterker voor de menselijke emotie werken. Dankzij de groepsbinding kan een mens tot samaritaan worden, dankzij de groepsbinding kan hij ook de moed opbrengen om een zelfmoordaanslag te plegen.’

Het is allemaal goedbedoeld neem ik aan. Maar die samaritaan heeft niets met godsdienst te maken. Dat is gewoon naastenliefde, waarvoor een verwijzing naar een onzichtbare macht helemaal niet nodig is. Die zelfmoordaanslagen, dat is andere koek. Daar kom je niet zelf op. Die jonge mensen die dat doen hebben helemaal geen motief. Ze worden iets opgedragen dat ze uitvoeren zoals circusdieren dat doen en dan een suikerklontje krijgen. Dat een suikerklontje niet doorgaat is geen probleem want ze hebben nergens meer last van. Ik kan dit met de beste wil van de wereld geen moed noemen, zoals Hendrik Gommer ons wil doen geloven. Echte moed bestaat bij de gratie van eigen overtuiging en deze mensen hebben geen overtuiging.

Het grondrecht vrijheid van godsdienst dient te worden vervangen door vrijheid van levensbeschouwing. Niet meer dan dat.













Kerstmis

FilosofiePosted by Roelof Bos Thu, December 25, 2014 13:03:56

De kerstboodschap van Herman Wijffels

In een uitzending van de IKON op NPO 2 woensdag 24 december 2014 zag ik een vraaggesprek tussen Annemiek Schrijver en Herman Wijffels. Wijffels zag licht in de duisternis. De duisternis was het verkeerde beeld dat nagejaagd werd en hierin kon je de bankier herkennen die tot inkeer was gekomen. Wijffels, een godvruchtig mens, dacht dat er een ommekeer zou komen. Waarin niet het eigenbelang maar de mensheid telde. Ik vertel het nu in mijn eigen woorden, maar dat was de indruk die van zijn woorden overbleef. Ik schrijf erover omdat Annemiek Schrijver op zeker ogenblik de vraag stelde of er niet een leider moest zijn. Eerder had zij het gehad over een herder. Zo te zien overviel de vraag Wijffels. Zijn reactie was terughoudend. Zijn eigen ervaring met leiderschap moest hem parten spelen. In de hem bekende bankwereld wordt veel aan leiderschap gedaan. Wijffels moet gedacht hebben ‘die kant moeten we niet op’. Zelf dacht ik dat Annemiek Schrijver zich vergiste of niet goed had opgelet. Want Wijffels had het gehad over veranderingen die niet van boven af opgelegd worden maar uit jezelf voortkomen. Als de geest der mensheid tot wasdom komt zal dat de richting aanwijzen. Zo heb ik de woorden van Herman Wijffels begrepen.

Vele jaren geleden stond ik als adviseur de grondlegger van het befaamde Instituut Schoevers bij. Bij de keuze van de beheerders van de verschillende vestigingen telde behalve het vakmanschap voor hem maar één ding. Hij of zij mocht niet hebzuchtig zijn. Het instituut mocht daar niet ten prooi aan vallen. Het is anders gelopen. Zijn laatste vazal wist de gewraakte karaktereigenschap goed te verbergen en na de dood van de grondlegger veranderde het wezen van dit eertijds zo befaamde instituut volledig.

Ook heden ten dage met de financiële crisis en andere rampspoed in gedachten blijkt dat het hemd nog steeds nader is dan de rok. Alleen heel grote rampen kunnen de ogen openen, te vrezen valt wanneer het te laat is. De terughoudendheid van Wijffels over het door Annemiek Schrijver geopperde leiderschap was veelzeggend. Want Wijffels als gezaghebbend bankier weet waar dat op uitdraait. Wijffels had het over collectieve inkeer en Annemiek Schrijver over leiderschap. Wijffels zag daarin geen overeenstemming en ik denk terecht. Met het zicht op de bijbel zal Wijffels bedoeld hebben geen leider nodig te hebben maar wel een profeet.



Wie betaalt de rekening?

FilosofiePosted by Roelof Bos Fri, February 28, 2014 13:14:54

WAAROM GROEI?

Economen hebben het over groei. Het is een toverwoord voor politici. De president van Frankrijk, François Hollande, dacht hiermee zijn verkiezingsbeloften te kunnen inlossen. Angela Merkel moest ophouden vast te houden aan bezuinigingen. Sterker nog, met een beroep op de solidariteit moesten verkwistende zuidelijke landen door middel van euro-obligaties geld kunnen blijven lenen, waarvoor zuinige noordelijke landen moesten blijven instaan. Wie betaalt de rekening?

Groei zou onmisbaar zijn voor de economie. Maar dat is het helemaal niet. Tenminste niet als alibi, rechtvaardiging zou een te groot woord zijn, om meer geld uit te geven dan je hebt. Als er werkelijke groei is, dat wil zeggen dat iedereen ieder jaar rijker wordt, geeft de financiering van dat tekort met die toekomstige nieuwe rijkdom toch het resultaat dat wat je niet hebt verdiend al eerder is uitgegeven. Zoals je van de bank elk jaar een schuld mag opbouwen omdat je het volgend jaar meer verdient.

U begrijpt al waar de schoen gaat wringen. Dat gaat misschien een tijdje goed, maar op een gegeven ogenblik zegt die bank: ‘Hoho, laat eens kijken wat je hebt?’ en dan moet je met je billen bloot. Wat was die groei eigenlijk? Zijn het meer producten? Zijn het meer vorderingen die je hebt uitstaan? Zijn al die vorderingen wel inbaar?

Het staat en valt met het geloof van hem of haar die jou voor je ondernemingsplan geld wil lenen. Moeten die noordelijke landen werkelijk geloven dat die zuidelijke landen gaan groeien?

Er is ook nog iets anders. Als groei betekent dat er met dezelfde arbeid meer producten geproduceerd worden komen er inderdaad meer producten beschikbaar. In de aanname dat de staatstekorten worden gedekt met groei betekent dit dat een jaar te laat goederen geproduceerd worden die al eerder zijn verbruikt. Kortom het verhaal van de lease auto, als je van je schuld af bent is de auto ook alweer versleten en ben je weer terug bij af. Prima, zeggen de groei ideologen, zo moet het ook, geld moet rollen.

Dit lijkt op een wiskundige figuur die in werkelijkheid niet bestaat, zoals ook de relativiteitstheorie alleen op papier bestaat. Al die gedachten op papier maken dat het oog gesloten blijft voor de werkelijkheid. Want steeds meer producten betekent uiteindelijk niets meer en niets minder dan verstikking en vervuiling. In deze tijd, willen wij de planeet redden, moeten wij niet groeien maar inkrimpen. Dat inkrimpen betekent verstandiger en langer met de bestaande middelen omgaan.

Het gevolg zal zijn dat iedereen minder verdient en om het hoofd boven water te houden zal iedereen vindingrijker moeten worden om zichzelf te redden, harder werken en minder feest vieren. Dat is geen aanlokkelijk vooruitzicht en daarom houden sommige politici dat ook maar liever voor zich. Daarmee is in feite alles gezegd over hun geloofwaardigheid.

Als er politici zijn die dit wel voor hun rekening durven nemen is er een troost. Op den duur zal er evenwicht komen in de malaise en zelfs ook meer welvaart, omdat alles goedkoper wordt, de mensen gelukkiger zijn met minder middelen en geen kostbare tijd verspild wordt aan losbandigheid en verslaving.

‘Leuke dingen voor de mensen’, zoals Den Uyl indertijd op de begroting wilde met de opbrengsten van de aardgasbaten, blijken achteraf minder leuk te zijn. Als de politiek onmachtig is hun kiezers een menswaardig lot te laten kiezen zal de natuur ingrijpen en de rekening presenteren.

Eén vraag blijft door mijn hoofd spoken. Wat hebben die groenen eigenlijk bij links te zoeken?





Gijzeling

FilosofiePosted by Roelof Bos Sat, February 22, 2014 15:11:56

SEBASTIAN HAFFNER, HET STOCKHOLMSYNDROOM EN BERTOLT BRECHT

De naam Sebastian Haffner (pseudoniem voor Raimund Pretzel, 1907 – 1999) is onmiskenbaar verbonden met het beetje Duitse geweten dat erin de Nazitijd hier en daar nog was. Dat blijkt uit zijn boek ‘Geschichte eines Deutschen – Die Erinnerungen 1914-1933’. In dit niet voltooide boek geschreven in 1939 in Engeland, vanwege de oorlog postuum verschenen in 2000, beschrijft Haffner zijn jeugdjaren tijdens de opkomst van Hitler.

Het boek biedt een verrassend inzicht in de oorzaken en omstandigheden welke de opkomst van het Nazidom mogelijk maakten. In zijn veel latere boek ‘Anmerkungen zu Hitler’, geschreven en verschenen in de tweede helft van de jaren zeventig, gaat Haffner in op de geest en persoonlijkheids-structuur van Hitler zelf. In het boek ‘Geschichte eines Deutschen – Die Erinnerungen 1914-1933’ schetst hij het gewone leven in Duitsland, zoals hij dat als jongeling meemaakte. Daarbij komt hij tot verrassende inzichten, vooral over de uitschakeling van het geweten, het inzicht, het gezonde verstand bij met name de Duitse intellectuele klasse, die aldus verantwoordelijk kan worden gesteld voor de opkomst van Hitler. Voorzover die vereenzelvigd kon worden met de ware Duitse geest komt Haffner tot de vaststelling dat die maar zeer smal was en zich heel snel liet wegdrukken. Haffner wijt de opkomst van het Nazidom aan de grauwheid, leegheid in het merendeel van het Duitse bestaan, verborgen onder de culturele rijkdom van een smalle bovenlaag. Anders dan in andere landen, Frankrijk en Groot Brittanie ontbreekt het de gewone Duitser aan levenskunst, het savoir vivre van de Fransman en dat van de Engelsman met zijn liefde voor het dier, het spel en de sport.

De Duitse intellectuele klasse heeft zich nimmer echt verzet tegen de roof van de belangrijkste waarden in het leven die voor beschaafde mensen gelden. Deze heeft het zich laten ontnemen, lijdzaam als een lam dat op het offerblok wordt gelegd. Die Duitse intellectuele klasse, die bovenlaag, dolf niet het onderspit in een revolutie zoals de adel in de Franse revolutie van 1789 of de democratie in de Spaanse burgeroorlog. De Europese geschiedenis kent volgens Haffner twee vormen van terreur, de gruweldaden van een revolutie en de repressie van de dictatuur tegen dit geweld. In zekere zin gelden daarvoor ‘verontschuldigingen’. Voor de revolutie is dat de opwinding, de woede van het ogenblik, het buiten zichzelf zijn. Voor de kille berekenende repressie van de dictatuur daartegen is dat de vergelding voor eerder gepleegde revolutionaire gruweldaden.

Voor de terreur van het nazidom gelden deze ‘verontschuldigingen’ niet. De terreur van het nazidom, de bloedige roes waarin de aanhangers van de partij verkeerden was niet het gevolg van een wraak op gruweldaden die hen waren aangedaan. Neen, de terreur was het gevolg van een weloverwogen en vooropgezet plan, slechts verschillend van die van de georganiseerde misdaad door een Umkehrung aller Werte waarin rovers en moordenaars konden optreden als staatslieden en politie, bekleed met volledige staatsmacht, een staatsvorm waarin sadisme een deugd werd en mededogen een doodzonde.

Anders dan vaak geoordeeld wordt vindt Haffner de Duitser niet dapper, geen held, eerder een lafaard. De betoonde ‘dapperheid’ om de oorlog in te gaan, wreedheden te begaan komt eerder voort uit lafheid zich niet te verzetten, om het daarmee gemoeide ongemak uit de weg te gaan, onder het mom dat zoiets illegaal is, terwijl de tegenstander de wet met voeten treedt. De Duitser was zo door zijn eigen lafheid een willige prooi voor bedriegers, charlatans.

Het moet gezegd worden, Hitler had zijn tijd mee. De herstelbetalingen op grond van het verdrag van Versailles eisten hun tol en maakten de één na laatste rijkskanselier voor Hitler, Heinrich Brüning, buitengewoon impopulair. Het politiek spel in Duitsland werd onvoorspelbaar. Het strenge regiem van Brüning, het onvermogen van de gewone man zijn leven zin te geven, het maakte dat het land gefascineerd werd toen het gedrocht Hitler op het politiek toneel verscheen. Het werd door niemand serieus genomen. Grotesk als een clown, zelfs voor de gewone man, met zijn verschijning, zijn kapsel als een souteneur, de valse chic, zijn Oostenrijkse dialect, de wilde gebaren als een epilepticus, het ongecontroleerde speeksel door het wilde gepraat, zijn voortdurende winderigheid, de afwisselend vlammende en starende blik van een gestoorde, meer dan de grote dorpsgek was hij aanvankelijk niet. Ook de inhoud van zijn toespraken met maar één thema, het dreigen om het dreigen, met de daarbij behorende vreugde om het wrede, de bloeddorstige moordfantasieën, het was het gedachtengoed van een geaberreerde geest, de rol van een man uit een gesticht die zich Napoleon waant. En zoals het gaat met een kermisaap, het volk klapt en klapt zonder in de gaten te hebben waaraan het zich uitlevert. Voor de lege en zelfs voor de ontwikkelde Duitser groeide de fascinatie voor het gedrocht, deze clown op het slappe koord. Hoe lang zou hij zich staande kunnen houden?

Tot zover Haffner.

Tegenwoordig kennen wij het Stockholmsyndroom, de sympathie van de gegijzelde voor de gijzelnemer, een psychologisch verschijnsel dat verklaard wordt uit de onderwerping van de gegijzelde omdat hij zijn macht kwijt is, zich overgeeft en er bewondering voor zijn overheerser ontstaat. Patricia Hearst en Natascha Kampuss zijn er voorbeelden van. Met Hitler moet indertijd hetzelfde gebeurd zijn. Hij gijzelde zijn volk, het liet zich gijzelen en de verafgoding verdrong de schaamte over het verloren zelfrespect. Het doet in zekere zin ook denken aan de geest in Nederland in het begin van de oorlog in Nederland, beschreven in het boek van Friedrich Weinreb ‘Het land der blinden’.

Nazi ideologieën bestaan nog steeds. Waakzaamheid daartegen is geboden. Maar die waakzaamheid kan ook verkeerd uitpakken, averechts werken. De tolerantie heeft een grens. Bij mijn weten was het vroeger ondenkbaar dat hulpverleners, brandweer of ambulancepersoneel, aangevallen werden en hun werk niet meer konden doen. Het is niet eenvoudig het juiste evenwicht te bewaren tussen het geven en nemen van elkaars standpunten. Leven en laten leven lijkt de leidraad daarvoor. Het recht een eigen leven te kunnen leiden en de plicht een ander dezelfde gelegenheid te bieden.

Het is ook het inzicht te kunnen onderscheiden tussen wensdromen en mogelijkheden. De bij mij opkomende aha erlebnisse bij het lezen van het boek van Haffner bestonden in kleine momenten die iedereen wel eens meemaakt, waarin de eigen overtuiging wordt weggedrukt door die van een ander, door economische of andere afhankelijkheid, onverschilligheid, egozwakte of blinde gehoorzaamheid.

Als er één leidraad valt te herkennen in het boek van Haffner is het wel zich niet op sleeptouw te laten nemen door het collectief beleefde, het kijken naar en het navolgen van anderen, omdat het dan wel goed zou zijn. Ik herinner mij de onthulling van een Italiaanse politicus een aantal jaren geleden die voor de televisie bekende belastingfraude te hebben gepleegd. Natuurlijk had hij dat gedaan, hij ontkende de beschuldiging niet. Maar zei hij als verontschuldiging, iedereen deed het toch! Het was zo overduidelijk uitgesproken, hij geloofde in zijn onschuld. Hij verdronk in die collectiviteit van oplichterij.

Hoe kunnen verantwoordelijke bestuurders voorkomen dat een land afglijdt naar een collectief verlies aan verantwoordelijkheidszin zoals dat overduidelijk bij de opkomst van het Nazidom in Duitsland is gebleken? Hoe kunnen verantwoordelijke bestuurders voorkomen dat een land afglijdt naar dictatuur, revolutie, chaos? In de huidige tijd is het gedoogbeleid ontstaan. Er zijn zaken verboden, maar het wordt gedoogd. Het is begonnen met het drugsbeleid, omdat de wetgeving daartegen niet uitvoerbaar is. Je zou dan zeggen dat die wetgeving aangepast moet worden. Toch, als het daarbij zou blijven zou men er vrede mee kunnen hebben.

Maar het is alsof de geest uit de fles is, het breidt zich als een inktvlek uit. Op tal van terreinen bestaat er wetgeving die niet toegepast wordt. Het zou het antwoord moeten zijn op een niets ontziende dictatoriale overheid, die de vrijheid van de burger beknot.

Wat tegenwoordig telt is dat je onverdacht bent. De maatstaf daarvoor is nog steeds de oorlog. Helaas wordt het beeld van de oorlog maar al te vaak valselijk gebruikt. De morele herbewapening uit de jaren vijftig zestig zou een fascistische organisatie zijn. Het gevolg is dat we nu te maken hebben met het Marokkanenprobleem. Neen, Wilders zou het niet voorkomen hebben, daar is hij te kortzichtig voor. Welgemeende, mensvriendelijke euthanasie mocht lange tijd niet, het zou zijn wortels hebben in de uitroeiingsgeest van het Nazidom. De jurist en advocaat Mr Dr Stokvis (indertijd bekend door zijn radiopraatjes onder de titel ‘Recht en slecht’) wilde met een beroep op de genocidepraktijken van het Nazidom verhinderen dat de hersendode Mia Versluis van het ademhalingsapparaat gehaald werd. De psycholoog Adriaan de Groot en de socioloog Buikhuijsen konden hun werk niet meer doen omdat zij erfelijke aspecten van het menselijke karakter wilden onderzoeken. Enzovoorts.

Het is de gevestigde overtuiging waaraan dit allemaal wordt opgehangen. Maar hoe wordt die overtuiging gevestigd? Meer en meer door elkaar na te praten. Met een verwijzing naar de oorlog worden ongewenste denkbeelden in de kiem gesmoord. Dat alles heeft niets te maken met de persoonlijke verantwoordelijkheid waar Haffner op doelde, die afwezig was zodat Hitler zijn slag kon slaan. Integendeel, vaak is het beroep op een gevestigde overtuiging in wezen het wegkijken, het kijken naar een ander, zonder werkelijk verantwoordelijkheid te nemen.

Bertolt Brecht geeft in zijn eenakter De Bijbel een wrang voorbeeld van het vasthouden aan een gevestigde overtuiging. Het stuk speelt ergens in de Nederlanden tijdens de tachtigjarige oorlog. Een protestantse stad wordt belegerd door katholieke belegeraars. In de stad leest een grootvader zijn kleindochter voor uit de Bijbel: “En toen er negen uren om waren riep Jezus aan het kruis: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten.’ De omstanders bespotten hem, zeiden: ‘Anderen heeft hij geholpen, zichzelf kan hij het niet. Kom af van het kruis en wij zullen je geloven.’ Daarop riep Jezus luid: ‘Het is volbracht’ en ging heen.”

De vader, burgemeester van de stad en zijn zoon, haar broer komen binnen, vertellen dat de stad opgegeven is. Alleen een offer kan de stad behoeden voor plundering, brandschatterij, verkrachting en moord. Als de stad katholiek wordt en hun dochter en zuster zich een nacht opoffert voor de katholieke veldheer. In wanhoop wendt het meisje zich tot de grootvader die haar in haar weigering steunt. De broer beveelt zijn zuster zich op te offeren, de vader staat er lijdzaam bij. De grootvader is standvastig, gelooft aan het hemelse gerecht waar de overweldiger gestraft zal worden. De broer pleit hartstochtelijk bij zijn zuster om het volk, de stad te redden. De grootvader pleit bij het meisje het niet te doen, zo haar ziel te redden, meer waard als de lichamen van duizenden. De vader, in een zwak moment, probeert zijn dochter mee te krijgen onder het mom van haar veiligheid. De grootvader laat haar niet gaan, verwijt zijn zoon zijn dochter te willen versjacheren. Vader en broer gaan. Het meisje spreekt dan luid over de herinnering aan haar overleden moeder, liggend in de grafzerk waar zij met haar broertje als kleine kinderen huilend de nachtwake hielden. De ochtend daarop had de vader haar op de arm genomen onder de woorden ‘jij bent mij meer waard dan honderd vrienden’ en de dode gekust. Zij weet niet waarom zij zich dat nu weer herinnert.

Buiten brandt inmiddels de stad en het granaatvuur slaat door het venster. Het meisje spreekt: ‘De vijand maakt zich op voor de stormloop’. Grootvader: ‘God is met ons.’ Het meisje schreit, spreekt verward: ‘De klokken luiden, het zijn Gods stemmen’. En zij verlaat het huis. Grootvader blijft alleen achter, het huis brandt, de donder wordt sterker en sterker. Tot alles plotseling zwijgt, het stil wordt. De grootvader, luid galmend: ‘Heer, blijf bij ons. Want het zal avond worden en de dag zijgt neer.’

Wat had Bertold Brecht voor met deze merkwaardige eenakter? Hij schreef het als vijftienjarige lyceist, werd later communist, bestreed het fascisme, nam het op voor het lijden van de gewone man die zich overgeleverd weet aan kwade krachten. Haffner laat zien hoe die geest een voedingsbodem kon worden voor het Nazigif. Hoe is dat met elkaar te rijmen? Om dat te begrijpen moeten wij ons verplaatsen in de anarchistische geest van Bertold Brecht, die zich verzet tegen iedere vorm van dwang. Zo ook tegen de dwang van de gevestigde overtuiging en de religie. Als er een les is die Brecht, een snotaap nog, ons met deze eenakter had willen voorhouden is het naar mijn indruk dat het slechts de omstandigheden zijn die bepalen wat goed of verkeerd is.







Politiek

FilosofiePosted by Roelof Bos Fri, February 21, 2014 12:10:35

BIEFSTUKSOCIALISME

In de column van Menno Tamminga (‘Biefstuksocialisme’-kent u dat woord nog?’ in nrc de week 5 augustus 2013))vraagt hij aandacht voor het biefstuksocialisme van de politicus Hans van den Doel in de jaren zeventig. Het levert een onthullend stukje geschiedenis op. In mijn beleving sloeg die term ‘biefstuksocialisme’ op een helder moment van inkeer voor sommige socialisten. Dat het in het leven niet ging om de consumptie, eerder om het opwerpen van een dam tegen de frikandellen- en frietcultuur. Dat er tijd was voor bezinning over de verkeerd gekozen weg. Ten onrechte was de gedachte aan een gezonde geest in een gezond lichaam taboe geworden.

Dat was dus niet zo. Met dat zelfbedachte woord keerde de socialist Hans van den Doel zich in de jaren zeventig tegen hoge loonstijgingen die werkgevers toen grif wilden betalen. Hij doelde daarmee op de politiek van de nieuwe volkse VVD-leider Hans Wiegel. Had de arbeider na zijn autootje geen recht op meer welvaart, op zijn eigen biefstuk? Van den Doel gruwde van deze politiek, waar ook vakbonden gevoelig voor waren. De arbeider had volgens hem juist belang bij goede en groeiende collectieve voorzieningen. Betere wijken, beter onderwijs voor kinderen. Geleide loonpolitiek kon daarvoor de financiële ruimte scheppen.

Tamminga vraagt zich in zijn column af of Van den Doel toch geen gelijk heeft gekregen, ondanks latere rechtse regeringen, nu van het nationaal inkomen steeds minder naar de burger gaat. Maar een beetje lezing leert al gauw dat zijn verhaal rammelt. Niet alleen dient die vermindering van het huishoudgeld andere collectieve bestedingen dan waar Van den Doel op zag maar Tamminga laat na het wezen van dat zogenaamde biefstuksocialisme bloot te leggen.

Van den Doel zat natuurlijk op een volkomen verkeerd spoor door het begrip van de vakbeweging voor de politiek van Hans Wiegel‘biefstuksocialisme’ te noemen. Hoe kon zo’n briljante econoom zulke domme dingen zeggen? Zoiets kan alleen maar begrepen worden vanuit zijn denkwijze als socialist, niet als econoom. De socialist, communist, maakt niet uit wat het is, heeft als bestuurder maar één doel en dat is om voor te schrijven hoe anderen moeten leven.

Geleerde mensen hebben het dan over de maakbaarheid van de samenleving. Zij zien allemaal misstanden, maar zien hun eigen misvatting over het hoofd. Die misvatting bestaat in hun visie op de mens. Zij willen helpen, maar doen het op de verkeerde manier. Als mensen niet voor zichzelf kunnen zorgen zal de overheid er alles aan moeten doen om te zorgen dat zij dat wel kunnen. In plaats daarvan wordt hulp geboden in een vorm waardoor besef en idee hoe het eigen leven in te richten naar de achtergrond verdwijnt.

Om terug te keren naar de biefstukken. Van den Doel dacht dat meer geld in het huishoudboekje leidt tot meer biefstukken, tot ongezonde situaties. Ik betwijfel dat. Mensen die in staat zijn hun eigen boterham te verdienen zijn ook in staat met geld te kunnen omgaan. Die moet je niet geld afpakken om het via collectieve voorzieningen weer terug te geven. De kans dat het dan op de verkeerde plek terecht komt is vele malen groter.

Het merkwaardige is dat uit het stuk van Tamminga valt op te maken dat precies het omgekeerde gebeurd is. De mensen krijgen steeds minder privé te besteden, maar de samenleving wordt ongezonder. Dat is ook begrijpelijk want door die collectieve voorzieningen beschikken steeds meer mensen over geld die er niet mee kunnen omgaan. Er hoeft niet gecalculeerd te worden. De socialist zal zeggen ‘dat kunnen ze niet, dus moeten wij dat voor hen doen’. Ik zou zeggen ‘probeer ze het te leren, voorzie in hulp die doelgericht is’.

Wat is het wezen van het socialistische denken heden ten dage? Vroeger was dat duidelijk toen er door afkomst vele kansarmen waren. Dat was in de tijd van Hans van den Doel al lang niet meer zo. Maar met die oude afgunstgedachte kan nog steeds veel uitgelegd worden. Het is voer voor volksmenners. Maar met collectieve voorzingen is het nu eenmaal zo dat het kostenverhogend werkt, verspilling in de hand werkt en het misbruik toeneemt.

Het biefstuksocialisme van Hans van den Doel kan alleen maar begrepen worden als een omkering van de werkelijkheid.